vrijdag 1 april 2016

Apps in het taalonderricht: bedenkingen van een ICT-leek.



Apps in het taalonderricht: bedenkingen van een ICT-leek.

Samenvatting

Het gebruik van apps en webtools in taallessen is al wijdverspreid, maar zou nog verder uitgebreid kunnen worden. De voordelen van dergelijke applicaties zijn niet te min: het houdt leerlingen bij de les, maakt het leuker en spannender waardoor de leerlingen gemotiveerder zijn om met de leerstof bezig te zijn. Het ‘gamification’ aspect zorgt voor een competitieve sfeer en een interactieve benadering van de leerstof. Dankzij bepaalde apps kunnen de producten van de leerlingen meteen met de hele klas gedeeld worden en kunnen ze ook direct feedback krijgen over wat ze al als wek geleverd hebben. 

De meeste apps en webtools maken gebruik van quizzen om de leerstof op te frissen en een leuke start te geven aan de les. Ook meerkeuzevragen behoren tot de standaardinstelling waar veel gebruik van gemaakt wordt. Bepaalde student response systems zoals Socrative geven ook de mogelijkheid van open vragen, waarbij de leerlingen vrijer en uitgebreider kunnen reageren op een vraag en ook de feedback wat verder kan gaan dan een eenvoudig juist of fout.

Kritische reflectie

Een eerste kanttekening die gemaakt moet worden is dat het nog niet altijd duidelijk is wat het leereffect en leerrendement is van de leerlingen die gebruik maken van dergelijke applicaties. De nadruk ligt dermate op het spelaspect of ludieke ervaring dat de aandacht op het leren gevoelig vermindert. De vraag is uiteraard in hoeverre de aandacht op leren gericht moet zijn om ook daadwerkelijk te leren, niettemin is het wel duidelijk dat de leerling bepaalde elementen uit de leerstof moet integreren op een manier die het zuivere spelaspect overstijgen. ‘Gamification’ is een middel om de motivatie te verhogen, de aandacht te verscherpen, de interactie te verbeteren om het uiteindelijke doel van het leren te bereiken. Doet het gebruik van apps en webtools dat niet, dan moet de leerkracht zijn toepassing van deze instrumenten in zijn les herzien en aanpassen.

Een andere hindernis die in het artikel al is aangehaald, maar die ik graag nog zou uitdiepen, is de investering die een dergelijke aanpak vereist. Ten eerste een financiële investering van de school in technologische apparatuur en in het bijzonder van computers, laptops en eventueel zelfs tablets. Om het in den treure te herhalen, niet elke school beschikt over dergelijke geldelijke middelen. Daarnaast moet de school niet alleen het nodige materiaal in huis halen, ook het onderhoud en de dagelijkse werking moet gegarandeerd worden, wat niet alleen financieel voorzien moet worden maar ook beleidsmatig op ingespeeld moet worden. Een school met een tablet per leerling is mooi, maar zonder een snel en efficiënt wifi-netwerk waar ook leerlingen toegang tot hebben is dat een slag in het water. Als men al ziet hoe het in grote onderwijsinstellingen als eens mis durft te lopen op ICT-vlak, is het nog maar de vraag in hoeverre individuele scholen zich kunnen aanpassen aan zulk grote projecten.

Een andere invalshoek op het begrip investering werpt bijkomende vragen op. De investering in tijd en moeite van de kant van de leerkracht. Zonder het stereotiepe doembeeld van de overstelpte en wanhopige leerkracht op te willen roepen, denk ik dat het toch nuttig is enkel bedenkingen te plaatsen bij de tijd die kruipt in het maken van bepaalde digitale leermiddelen. Zoals vaak het geval is wordt het leerproces, van de kant van de leerkracht, en de tijd die daarin kruipt beschouwd als een investering die later probleemloos wordt teruggewonnen, omdat bepaalde lessenreeksen vele jaren mee kunnen gaan en de  leerkracht dus slechts eenmalig een les moet ontwerpen. Het probleem is dat de aantrekkingskracht van deze apps en webtools nu net gestoeld is op de vernieuwing die het in het onderwijslandschap teweegbrengt en de hechte band die het zou onderhouden met de leefwereld van de leerlingen. 

Uiteraard is een dergelijk werktuig niet gedateerd na enkele jaren, maar als we rekening houden met de snelheid waarmee bepaalde programma’s en technologieën doordringen in het leven van de mensen lijkt het mij toch onwaarschijnlijk dat leerkrachten niet steeds mee zullen moeten evolueren met de meest recente trends. Dat dit volledig past in het beeld van levenslang leren dat wij als leerkrachten moeten volgen en uitstralen vermindert in niets de last (of opportuniteit, naargelang) die dergelijke evoluties met zich mee zouden brengen. Het lijkt mij met andere woorden wat naïef te geloven in de duurzaamheid van dergelijke lessenreeksen in een context van snelle maatschappelijke, technologische en intergenerationele veranderingen. 

Een derde opmerking betreft de ongelijkheid, de kloof die tussen de leerlingen gaapt en waar ICT, zover ik kan zien, niet de brug opwerpt om de afstand te overspannen. Om te beginnen kunnen we het financieel argument doortrekken van de scholen naar de leerlingen en families. De financiële draagkracht verschilt gevoelig van buurt tot buurt en van school tot school. De mogelijkheden om te oefenen, taken te maken of op een andere manier om te gaan met de werktuigen die in de klas worden aangereikt (als ze al worden aangereikt) bepalen in niet geringe mate het succesvol uitvoeren van taken die onafhankelijk van ICT-competenties geëvalueerd worden. De vertrouwdheid met de computer en applicaties is van doorslaggevend belang is de succeservaringen die de leerling in die omstandigheden zal opdoen. Het breed implementeren en inoefenen van de ICT-competenties is een lovenswaardige stap in de goede richting, maar vermindert de invloed niet van de buitenschoolse contacten die het kind wel of niet heeft met een bepaalde leerstof en die bepaalde competenties wel of niet stimuleren. De school is een belangrijke, maar niet de enige speler in de vorming van het kind. 

Er wordt vaak gesproken over differentiatie in de les en de oplossingen die apps o.a. in taallessen zouden aanreiken om individuele leertrajecten uit te stippelen. Daarbij wordt echter zelden rekening gehouden en nog minder gewezen op de verschillende leerstatus die kan bestaan op het vlak van ICT-competenties zelf. Als ICT een middel is met als doel de taalbeheersing van de leerling te bevorderen en uiteindelijk ook te evalueren, kan men zich de vraag stellen in welke mate de beheersing van ICT-competenties een doorslaggevende rol speelt in het resultaat dat de leerkracht te zien krijgt. Het argument van een technologiegeneratie die deze moeilijkheden niet zou kennen gaat maar gedeeltelijk op. De ICT-competenties worden inderdaad steeds vroeger beheerst, hoewel er anderen dan moeilijker te integreren zijn, maar om de parallel te maken met taal: ook tussen moedertaalsprekers bestaat er een verschil in leerstatus en kan differentiatie een helpende hand toesteken. 

Apps hebben een positieve impact op motivatie zoals hierboven al duidelijk werd gemaakt. Ook competitieve oefeningen verhogen de betrokkenheid en inzet van de leerlingen. Resultaten die door leerkrachten tot het uiterste benuttigd moeten worden. Dat de leerervaringen van de leerlingen daardoor verbeteren evenals de percepties ten opzichte van leren in het algemeen zijn voordelen die zoveel mogelijk in het onderwijs in stelling gebracht moeten worden, o.a. tegen schoolverlaters en demotivatie. De enige zorg die ik heb is het zelfbeeld van leerlingen die in (taal)spellen, door hun leerstatus, systematisch lager scoren. Hoe zit het met hun beloningen? Wat is de invloed van hun resultaten in coöperatieve en interactieve leeromgevingen? Het publiekelijk delen van leerproducten en individueel materiaal moet met de nodige zorg, discretie en gevoeligheid gebeuren.

Als besluit wil ik even aanhalen dat de apps in taallessen steeds dezelfde specifieke vaardigheden gaan oefen, omdat sommige vaardigheden (voorlopig) niet via dergelijke apps ingeoefend kunnen worden, ik denk bijvoorbeeld aan spreekvaardigheden. Wat zeer interessant is de mogelijkheid om snel en eenvoudig in contact te komen met moedertaalsprekers van de doeltaal (bijvoorbeeld voor Frans, Engels, Duits, Spaans,…) zowel voor een gesprek als het beluisteren of lezen van authentiek materiaal die dan in een app gekoppeld kan worden aan vragen, creatieve opdrachten of multimediale leerplatformen om materiaal met de klas te delen. 

Het is hierbij niet de bedoeling geweest ICT als boeman af te schilderen, maar waakzaam te blijven tegenover oude problemen die in een nieuwe gedaante (kunnen) terugkeren. Mijn eigen gebrek aan ICT kennis en ervaring zorgen voor een voorzichtige houding ten aanzien van dergelijke evoluties en hoewel ik inderdaad de voordelen en ludieke mogelijkheden van apps inzie (en als taalleerkracht sowieso met de zorg zit bepaalde grammaticale leerstof op te leuken) is het moeilijk op voorhand te bepalen welke in de lessen van toepassing kunne zijn. Het sensibiliseren van alle actoren in het onderwijs ten opzichte van ICT-toepassingen moet opgedreven worden en de leerkrachten moeten tijd vrijmaken om zonder druk kennis te maken met mogelijke webtools en de mogelijkheden uitgebreid te verkennen. Niet alleen ICT moet een kans krijgen ook leerkrachten moeten de kans krijgen om hun vooroordelen ontkracht te zien dankzij handige, pertinente en gebruiksvriendelijke apps en webtools.

Artikel:
Bronnen:

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen