vrijdag 5 april 2013


Het Virtueel Chemie Labo verbetert de prestaties van leerlingen.

  
In de internationale wetenschappelijke literatuur komt men heel wat studies tegen waarbij gekeken wordt naar het effect van allerhande technologieën op leerlingen en op hun prestaties. Als scheikundige trok het artikel over het effect van een Virtueel Chemie Labo (VCL) op de prestaties van leerlingen dan ook direct mijn volle aandacht. Hoewel ik weet had van het bestaan van VCL’s in verschillende vormen moet ik schromelijk toegeven dat mijn gebruik ervan tot op heden zeer beperkt tot nihil was, maar dit artikel heeft mijn interesse aangewakkerd en me ertoe aangezet om er enkele te downloaden (gratis versies) en ook effectief uitgebreid te proberen. Ik was aangenaam verrast door sommige van deze VCL’s en ik zal dit type van virtuele leeromgeving in de toekomst zeker trachten te implementeren in het chemieonderwijs.


In het artikel van Ayas en Tatli (2013) verschenen in “Educational Technology & Society” met als titel “Effect of a Virtual Chemistry Laboratory on students’ achievement” wordt op een statistische manier gekeken of de door hun ontwikkelde VCL software (weliswaar voor 2 onderdelen binnen de brede waaier die chemie omvat) binnen het kader van het constructivisme even effectief is voor de leerlingen als een echt laboratorium.


Wat is zo’n Virtueel Labo eigenlijk?

Bij Virtuele Labo’s maakt men gebruik van computers om op een interactieve en virtuele manier een laboratoriumomgeving te simuleren waar experimenten kunnen worden uitgevoerd. In het geval van Virtuele Chemie Labo’s (VCL) heeft de gebruiker het gevoel van echt in een chemisch laboratorium te staan en heeft de gebruiker zelf controle over de chemicaliën en het glaswerk dat hij/zij wil gebruiken tijdens het experiment. Daarnaast wordt allerlei relevante chemische informatie (reactie, concentratie, proces,…) rond het experiment weergegeven om het cognitieve leren te bevorderen.


Samenvatting artikel:

Vaak wordt chemie door studenten aanzien als een echte uitdaging omdat ze moeite hebben met de vele abstracte concepten binnen dit vakgebied. Bovendien bepalen hun resultaten voor de lessen chemie vaak hun verdere studiekeuze.

Vroegere studies toonden reeds aan dat leerlingen vooral problemen hebben met het begrijpen van chemie op het microscopisch niveau; dat ze moeite hebben om chemische veranderingen te construeren in hun hoofd en dat leraren hun in dit proces niet altijd adequaat ondersteunen. Als reden hiervoor wordt vaak het gebrek aan laboratoriumervaring opgegeven.

Alhoewel experimenteren in een laboratorium een onmisbaar onderdeel is in het begrijpen van chemie, hebben studies reeds aangetoond dat het niet altijd naar behoren ingepast kan worden in chemielessen omwille van veiligheidsredenen, gebrek aan zelfvertrouwen, gebrek aan juiste materiaal of tijdsgebrek.

Al deze obstakels kunnen uit de weg worden geruimd via technologische alternatieven zoals virtuele laboratoria. Dergelijke leeromgeving laat leerlingen toe hun theoretische kennis in de praktijk om te zetten via virtuele experimenten en hun laboratoriumvaardigheden te verbeteren. Bovendien kan het experiment zo vaak als nodig herhaald worden, vertraagd bekeken worden of er dieper op ingegaan worden met de virtuele leeromgeving.


Het doel van de studie van Tatli en Ayas was om te kijken naar het effect van een Virtueel chemie Labo op de prestaties van de leerlingen voor 2 onderdelen binnen de chemiecursus die tot het curriculum van 14-15 jarige leerlingen hoort. De virtuele leeromgeving ontwikkeld door de onderzoekers, is gebaseerd op de constructivistische leertheorie en de strategie van voorspellen, observeren, verklaren.

De doelgroep waarvoor de prestaties vergeleken werden na het gebruik van het VCL of echt experimenteel werk bestond uit 90 leerlingen (3 groepen van 30) en een ervaren chemieleraar.


De resultaten van de studie toonden aan dat virtuele laboratoria minstens even effectief zijn als echte laboratoria en dus ook de prestaties van leerlingen kunnen verbeteren. Bovendien zijn er heel wat voordelen: het is een veilige leeromgeving; leerlingen kunnen de experimenten individueel uitvoeren; leerlingen kunnen zich beter focussen op het eigenlijke proces in plaats van op materiaal en uitrusting; verschillende dimensies van het experiment kunnen gedetailleerd worden bekeken met virtuele media, leerlingen kunnen de juiste oplossing vinden door de verschillende mogelijkheden uit te proberen; de domeinspecifieke kennis wordt gekoppeld aan voorbeelden uit het dagelijkse leven.

Door de interactiviteit te verhogen zorgen virtuele laboratoriumtoepassingen er ook voor dat leerlingen actieve denkers worden in plaats van passieve observators. Tenslotte bleek dat leerlingen ook meer zelfvertrouwen kregen door het gebruik van het VCL.

Verwacht wordt dat VCL’s in de toekomst als ondersteuning en aanvulling zullen aangewend worden in het chemieonderwijs.


Conclusie:

Virtuele chemie laboratoria verhogen wel degelijk de prestaties van de leerlingen en kunnen dus een alternatief zijn voor echt experimenteel werk.


Eigen reflectie:

Naast de voordelen die hierboven reeds zijn aangehaald zijn er volgens mij nog een aantal andere voordelen:

-       Vaak gratis te downloaden, dus geen extra kosten
-       Vaak gebruiksvriendelijk
-       Ecologisch 1: er worden geen (gevaarlijke) chemicaliën verbruikt en er worden dus ook geen afvalproducten geproduceerd
-       Ecologisch 2: geen waterverbruik om het glaswerk te reinigen
-       VCL kan gebruikt worden om een experiment in het echte laboratorium te introducteren of als “pre-labo” om leerlingen vertrouwd te maken met het onderwerp en het experiment alvorens in het echte labo aan de slag te gaan.
-       Risicovolle experimenten (gebruik van giftige stoffen, vrijkomen van gevaarlijke dampen, explosiegevaar, enz. ) kunnen toch op een veilige manier uitgevoerd worden in het VCL.
-       Mislukte experimenten of experimenten die niet volledig begrepen zijn, kunnen zonder probleem herhaald worden.
-       Leerlingen met beperkingen die daardoor niet in staat zijn om in een echt labo te werken kunnen via VCL toch experimentele vaardigheden opdoen.

Ik zie echter ook een aantal nadelen:

-       De leraar dient goed vertrouwd te zijn met het programma om het ook effectief te kunnen inzetten in het onderwijs.
-       Ook leerlingen dienen te leren hoe het programma te gebruiken
-       Elke leerling moet kunnen beschikken over een computer en niet elke school beschikt over een uitgebreid en degelijk computerpark
-       Het is geen echte praktijkervaring
 

Het is duidelijk dat Virtuele Chemie Labo’s enorme voordelen biedt voor de leerlingen en het onderwijs in het algemeen. Ik vind dan ook dat het gebruik ervan dient aangemoedigd te worden. Ik ben ervan overtuigd dat scholen die VCL’s gebruiken ter ondersteuning van de lessen chemie een meerwaarde bieden aan hun leerlingen.
Een chemieleraar die over de nodige ICT-kennis beschikt kan bovendien dergelijke VCL’s aanpassen om ze nog beter op maat van zijn lessen te maken en zo de prestaties nog te verhogen.

Naar mijn mening is het echter wel zo dat VCL’s het echte experiment nooit volledig mag vervangen. Het gebruik ervan moet zoals reeds gezegd ondersteunend en aanvullend zijn, maar niet vervangend. Je dient immers absoluut de handelingen in het echte labo aan te leren en deze voldoende te oefenen om de nodige ervaring op te doen. Er is nog altijd een fundamenteel verschil tussen een computermuis bewegen en accuraat een oplossing maken of correct een titratie uitvoeren in een echt chemisch labo.
 

Referentie

Tatli Z. and Ayas A. (2013). Effect of a Virtual Chemistry Laboratory on students’ achievement. Educational Technology & Society, 16(1), 159-170.

weblink: http://www.ifets.info/journals/16_1/14.pdf

Extra links
 
voor de geïnteresseerden enkele gratis virtuele chemie laboratoria:
 
Virtual Chemistry Lab 2.0:
http://www.softpedia.com/get/Others/Home-Education/Virtual-Chemistry-Lab.shtml


Chemlab trial versie (volledige versie is betalend): http://www.modelscience.com/software.html?ref=home&link=nav
virtlab: http://www.virtlab.com/main.aspx


Degenen die er niet genoeg van krijgen kunnen volgende website raadplegen waarop een uitgebreide lijst staat van gratis online beschikbare Chemie Labo’s: http://onlinelabs.in/chemistry

 

 

donderdag 4 april 2013

Technologie mag geen barrière worden


Velen onder ons hebben het geluk van thuis uit niets tekort te komen. Als we iets nodig hebben, en dan al zeker wanneer het voor school is, krijgen we datgeen waar we naar vragen. We denken er niet steeds bij na dat dit niet voor iedereen even evident is.

Een artikel uit Klasse haalt het probleem aan dat sommige scholen ICT verplicht maken door bijvoorbeeld het verplicht bezit van een iPad voor leerlingen. De kost van de iPad wordt doorgerekend naar de ouders. De ouders gingen hier niet mee akkoord en dienden klacht in bij de Commissie Zorgvuldig bestuur, waar ze gelijk kregen. De school ging echter in beroep. In het artikel uit de Knack dat twee dagen later verscheen, blijkt dat de school gelijk kreeg van de Vlaamse Regering en ze het gebruik van iPads mogen invoeren.

Dit doet ons toch wel de vraag stellen in welke mate scholen de toelating hebben om bepaalde ICT-producten verplicht te maken voor leerlingen. Niet iedereen heeft het budget beschikbaar om dure electronica aan te schaffen. "Het verplicht invoeren van de iPad zal een nieuw publiek aantrekken, maar tegelijkertijd jongeren uit kansarme gezinnen afschrikken." aldus Sieg Monten van het Netwerk tegen Armoede.

Ikzelf ben ervan overtuigd dat het gebruik van technologie in het klaslokaal heel wat voordelen kan bieden. Het hoeft niet per se een iPad te zijn, er zijn tegenwoordig immers heel wat mogelijkheden voor de hand. Op mijn middelbare school hadden we ook een project met tablet computers (de voorloper van de gewone tablet). Op deze computers kon je schrijven op het scherm met een speciale pen. Op deze manier konden leerlingen notities maken met de hand, maar konden ze nog steeds gebruik maken van het toetsenbord en de muis. Het scherm kon zodanig gedraaid worden dat de laptop precies een digitaal schrift leek. Het project had een toegevoegde waarde voor ons als leerling, we leerden vlot om te gaan met een laptop en deze veel meer te gebruiken bij dagdagelijkse zaken die we voordien gewoon op papier deden. Enkele voorbeelden hiervan zijn het gebruik van presentatietools, agenda’s, notities,...

Het voordeel aan dit project was dat de laptops aan iedereen beschikbaar gesteld werden. Dit project was dus toegankelijk voor iedereen, maar wat vooral belangrijk was is dat leerlingen er niet voor hoefden te betalen. Als leerling kreeg je een laptop die je in gebruik mocht nemen gedurende het schooljaar. Het was geen kwestie van financiering, wie wel een laptop kon betalen en wie niet.

Zoals aangehaald in het artikel in de Knack vindt minister Smet dat technologie in scholen zeker nodig is, maar dat er een “strategisch kader voor ICT-gebruik in de scholen” nodig is. Hiermee ga ik volledig akkoord. De wereld wordt steeds meer technologie-geöriënteerd, dus moeten kinderen reeds vanaf jonge leeftijd in aanraking met technologie komen. Het is echter wel nodig dat de regering een duidelijk kader opstelt voor de invoer van ICT in de scholen. Ik vind dat de investeringen in technologie aan banden gelegd moeten worden door regelgevingen waarin onder meer duidelijk staat welke toestellen scholen mogen ‘verplichten’, waarvoor en op welke manier leerlingen deze mogen gebruiken (mogen ze deze bijvoorbeeld meenemen naar huis, en wie neemt hiervoor de verantwoordelijkheid?), en wie de kost zal dragen van de nieuwe tablets of laptops.

Als school vind ik dat je de verantwoordelijkheid hebt om er aan de ene kant voor te zorgen de leerlingen ‘mee’ zijn met hun tijd, maar is het aan de andere kant ook heel belangrijk om aan iedereen gelijke kansen te bieden.
Hieronder volgen enkele suggesties om als school te proberen gelijkheid te bekomen:
  • Gratis aanbieden aan iedereen (financieel waarschijnlijk niet haalbaar)
  • De woordvoorder van het Netwerk tegen Armoede zegt: “Wij verkiezen een systeem waar alle leerlingen van de school tegen een aanvaardbare prijs een iPad kunnen huren.” Dit is inderdaad een goed systeem omdat huren een veel kleiner bedrag zal zijn, waardoor het voor veel leerlingen toch toegankelijk wordt.
  • Berekeningen in termen van de kost van bijvoorbeeld een iPad vs. Het geld dat bespaard wordt op handboeken, kopies, etc.
  • Een mogelijkheid bieden (misschien een soort fonds zoals sommige scholen in het Gemeenschapsonderwijs nu hebben voor de GWP’s) voor leerlingen die het thuis minder breed hebben om de aankoop toch te doen.

Mogelijk zijn er nog andere opties die scholen hebben om technologie zo toegankelijk mogelijk te maken voor alle leerlingen. Hebben jullie nog suggiesties hiervoor?

Bronnen:
Klasse voor leraren. (2012, 12 september). iPad op School: Duur Gadget voor Arme Gezinnen? Geraadpleegd op http://www.klasse.be/leraren/28783/ipad-op-school-duur-gadget-voor-arme-gezinnen/
Knack. (2012, 14 september). School uit Blankenberge Mag iPad dan toch Invoeren. Geraadpleegd op http://www.knack.be/nieuws/technologie/school-uit-blankenberge-mag-ipad-dan-toch-invoeren/article-4000177601763.htm

Klikken in de kleuterklas


Klikken in de kleuterklas
ICT in de lerarenopleiding kleuteronderwijs
Norah Van Den Daele

Artikel in Knack

Onlangs las ik een artikel in Knack (maart 2013) met de welluidende titel: “Peuters leren programmeren”.
De titel was misleidend. Het betrof geen peuters, wel de allerjongste kinderen van een Ests gymnasium. Daar krijgen lagere schoolkinderen één keer per week computerles, net zoals in tientallen andere Estse scholen. De overtuiging is dat websites en applicaties bouwen een basisvaardigheid moet zijn, net zo belangrijk als rekenen en taal (Rammeloo, 2012). Daar schuilt ook een economisch argument achter. Zo vroeg mogelijk beginnen programmeren om later goede programmeurs af te leveren op de arbeidsmarkt.

Zelf vind ik websites en applicaties bouwen vooralsnog geen noodzakelijke basisvaardigheid. Het adequaat kunnen omgaan met nieuwe media is volgens mij wel een belangrijke vaardigheid, al zou ik deze niet direct gelijkstellen met kunnen lezen en schrijven.

ICT in de kleuterklas beschouw ik niet als een doel op zich. Het kan wel een uitstekend middel zijn ter ondersteuning van het leerproces van kleuters.
Leraren kleuteronderwijs die ICT integreren moeten wel voldoende aandacht hebben voor de fysieke en mentale gezondheid van de kleuters.  En bijkomend moet de aangeboden educatieve software weloverwogen gekozen zijn.

Vooral in klasjes met een grote heterogeniteit lijken mij de diversifiëringsmogelijkheden van educatieve software een groot voordeel.

Vlaamse situatie

Het artikel in Knack maakte me nieuwsgierig naar de situatie in de Vlaamse en Nederlandstalige kleuterklassen. Leren onze kleuters ook naarstig websites en applicaties bouwen? Hoogstwaarschijnlijk niet. Maar hoe zit het nu precies met het gebruik van digitale media in de kleuterklas?

In haar masterproef verdedigt Stephanie Kerkaert (2012) de stelling dat kleuteronderwijzers uitgedaagd moeten worden om na te denken over de rol die ICT in hun onderwijs kan spelen.

Volgens mij moet deze uitdaging beginnen in de lerarenopleiding. Uit onderzoek blijkt namelijk dat de mate van ICT gebruik door leraren mede afhankelijk is van de mate waarin ze tijdens hun opleiding met ICT in contact zijn gekomen (Drent 2005, in Tondeur  e. a. 2010). 
Daarom vraag ik me af of er specifieke aandacht is voor onderwijstechnologie in de opleiding van kleuteronderwijzers. 


Basiscompetenties en ontwikkelingsdoelen

Lessenpakketten voor leraren zijn afgestemd op de basiscompetenties voor leraren. Deze zijn door de overheid vastgelegd. In de basiscompetenties voor leraren kleuteronderwijs (www.ond.vlaanderen.be/wetwijs) zijn ICT vaardigheden niet expliciet opgenomen. Dit in tegenstelling tot de lagere school en de eerste graad van het secundair onderwijs.

De basiscompetenties voor leraren kleuteronderwijs liggen natuurlijk in lijn met de ontwikkelingsdoelen voor kleuters. In het kleuteronderwijs spreekt men over ontwikkelingsdoelen in plaats van eindtermen. Ook in deze ontwikkelingsdoelen (www.ond.vlaanderen.be/wetwijs) staan geen expliciete verwijzingen naar ICT vaardigheden. Eventueel kan men ICT-kennis en vaardigheden plaatsen onder het domein Muzische Vorming, waarin men verwijst naar het kunnen omgaan met audiovisuele media.


Onderzoek?

Over de integratie van ICT in de lerarenopleiding kleuteronderwijs heb ik geen onderzoeksmateriaal gevonden. Wel is er wat materiaal voorhanden over de lerarenopleiding lager onderwijs. Zo publiceerden Tondeur e.a in 2010 de resultaten van hun onderzoek naar ICT integratie in de geïntegreerde lerarenopleiding. De initiële vraag van hun onderzoek luidde: “zijn onze lerarenopleidingen in staat leraren af te leveren die ICT op een adequate manier kunnen inschakelen in hun onderwijspraktijk.”
Zij screenden drie hogescholen, en maakten gebruik van het Vier in balans model van de stichting Kennisnet ICT op school.  Het Vier in balans model groepeert de voornaamste condities voor ICT-integratie, met name: visie, kennis, attitude en vaardigheden, software / content en de infrastructuur.  De onderzoekers gingen na in welke mate deze vier pijlers aanwezig waren en of deze in balans met elkaar stonden.
Zij concludeerden dat slechts één van de 3 onderzochte hogescholen aandacht schenkt aan alle pijlers (Tondeur e.a,  2010).


Eigen screening

Omdat er geen onderzoeksmateriaal is over de integratie van ICT in de lerarenopleidingen kleuteronderwijs, heb ik zelf de curricula van twee Vlaamse en één Brusselse hogeschool gescreend.

De opleiding kleuteronderwijs van de Katholieke Hogeschool Zuid West-Vlaanderen heeft een apart vak ICT.  Deze lessen zijn echter niet verplicht. Er wordt gewerkt aan de hand van vier thema’s (tekstverwerking, presentatie, beeldbewerking en informatievaardigheden) en de courante Microsoft toepassingen worden overlopen.

In de Artevelde Hogeschool wordt ICT niet als apart vak opgenomen binnen de opleiding kleuteronderwijs. Deze school heeft wel een webpagina ontwikkeld waar studenten van de lerarenopleiding (lager onderwijs) informatie kunnen vinden over ICT integratie in de lerarenopleiding.

De Hogeschool Universiteit Brussel biedt aan de studenten kleuteronderwijs het vak informatiekunde aan, waar de studenten kennismaken met de courante Microsoft programma’s maar ook kennismaken met educatieve software.


Conclusie

Met dit mini-onderzoekje kan ik besluiten dat ICT wel de nodige aandacht krijgt binnen de opleidingen kleuteronderwijs. 

Maar door de beperktheid van mijn methodiek ben ik niet te weten gekomen in welke mate ICT geïntegreerd deel uitmaakt van alle vakken. Want, zo stellen verschillende onderzoekers, afzonderlijke ICT lessen volstaan niet om later zelf ICT te integreren in de eigen onderwijspraktijk (Tondeur e. a. 2010).  ICT dient zoveel mogelijk geïntegreerd te worden en niet als apart vak beschouwd worden.

In haar besluit verwijst Kerckaert (2012) naar de mogelijke rol van de lerarenopleiding. Zij is van mening dat de opleiding kleuteronderwijs een overzicht zou moeten bieden van de verschillende mogelijkheden en middelen. Ook tijdens de stage zouden studenten gestimuleerd moeten worden om een aantal zaken uit te proberen, stelt ze.

Ik denk ook dat een combinatie van beide het beste is. Integratie in de vakken die zich daartoe lenen en ICT als apart vak. Vanuit mijn persoonlijke ervaring als student concludeer ik dat dit de beste methode is. Als student van de lerarenopleiding aan de VUB heb ik een apart vak onderwijstechnologie en werden onderwijstechnologische middelen ingezet in andere vakken, zoals het digitaal leerplatform. 
Deze combinatie maakte dat ik de voordelen van het gebruik van ICT in leerprocessen leerde kennen en zelf kon ervaren. Dit had invloed op mijn visie over ICT. Het resulteerde in het daadwerkelijk gebruiken van ICT mogelijkheden in de eigen lespraktijk. Zo ontwikkelde ik zelf een website voor mijn studenten.



Bronnen

Kerckaert; S., De rol van ICT in het kleuteronderwijs, Een exploratieve studie naar ICT-gebruik in het kleuteronderwijs en factoren die dit gebruik beïnvloeden, Masterproef, academiejaar 2011-2012.
Rammeloo, E., Peuters leren programmeren: computeronderwijs in Estland, Knack, 43
(2013)11; p. 86.
http://maartenv.be/wp-content/uploads/2013/03/knack_programmeren.pdf

Tondeur, J., Van Braak, J., Vanderlinde, R., Thys, J., & De Roo, N., ICT-integratie in de lerarenopleiding: Vier in Balans?, Tijdschrift voor lerarenopleiders, 2010, 31 (2), 11-18.

www.arteveldehs.be

www.hub-kaho.be

www.katho.be

www.ond.vlaanderen.be/wetwijs

woensdag 3 april 2013

Als de krokodil uit het riool: over de kloof tussen geloof en wetenschap.



Als de krokodil uit het riool: over de kloof tussen geloof en wetenschap.


Velen onder ons klinkt de problematiek waar Paul Kirschner en Ellen van den Berg het in ‘Pas op: Hypes!’ (2012) over hebben ongetwijfeld bekend in de oren. In deze bijdrage aan “het Trendrapport” hekelen Kirschner en Van den Berg namelijk drie, inmiddels tot hype geworden, zogenaamde “Trends”. Met dit laatste doelen ze op opvattingen, ICT-gerelateerde in dit geval, die zonder enige wetenschappelijke onderbouw toch verspreid raakten omwille van de schijnbare logica die er achter schuilt, het onkritische geloof dat we er aan hechten of louter omwille van de persoonlijke ervaringen die sommigen er mee hebben. De auteurs hekelen bovendien de gevolgen die deze aannames hebben, waarbij onder meer “slecht onderwijs, geldverslindende aankopen, innovatiemoeheid en ontevredenheid” worden aangehaald.

Informatietechnologie in het onderwijs en de manier waarop ICT onderwezen worden zijn een “trending topic”, waarmee Kirschner en Van den Berg geen verwijzing naar Twitter maken maar er louter op willen wijzen dat beide “gevoelig zijn voor alle trends in de maatschappij”. En net hierin schuilt volgens hen het gevaar. De meeste lezers van dit blogbericht, of tenminste diegenen geboren tussen 1982 en 2001, zijn er ongetwijfeld al ooit op gewezen dat ze deel uitmaken van de Net of Y-generatie. Deze nieuwe generatie is opgegroeid en opgevoed met en door moderne technologie, wat hen in staan heeft gesteld om zelfstandig en probleemoplossend te leren werken; of zo wordt althans aangenomen. Dat de jongeren van vandaag “digital natives” zouden zijn is volgens de auteurs van het artikel immers de eerste en misschien ook wel grootste misvatting. De andere twee misvattingen waar ze het daarnaast over hebben zijn ten eerste de idee dat “kinderen en adolescenten kunnen multitasken” en ten tweede de idee dat “het verwerven van kennis niet meer nodig is aangezien enerzijds de halfwaardetijd van kennis steeds korter wordt en ‘Googlificatie’ die optreedt anderzijds”, of m.a.w. dat alles via internet teruggevonden kan worden.

In dit artikel ontkrachten Kirschner en Van den Berg deze drie stellingen door simpelweg wél wetenschappelijk onderzoek aan te halen. Hieruit trekken zij de onder meer de conclusie dat de doorgevoerde vernieuwingen in het onderwijs gebaseerd op (een van) deze stellingen dan ook logischerwijze geen kans op slagen hebben.
Dat er een nieuwe generatie van “digitale autochtonen” zou opgestaan zijn wordt weerlegd door onder meer een onderzoek aan te halen dat wijst op een gebrekkige en oppervlakkige technologische kennis van leraars-in-opleiding in Finland, geboren tussen 1984 en 1989; en dus eigenlijk typische Y-generatieproducten. Ook wat zelfgestuurd leren betreft blijkt dat de gebruikte technologieën enkel aangewend worden voor “basale vaardigheden” en dat 'leren' beperkt blijft tot een “passieve consumptie van informatie” zoals bijvoorbeeld het gebruik van sites als Wikipedia.
Maar verder komt ook onderzoek aan bod dat de multitask-mythe tegenspreekt en ontkracht. Hierbij wordt gesteld dat het eigenlijk geen zin heeft om het onderwijs aan te passen aan studenten die gelijktijdig twee verschillende denktaken kunnen uitvoeren. Dit blijkt immers zowel op het niveau van de “informatieverwerking als op het neurale niveau” onmogelijk te zijn: we kunnen slechts tussen twee denkprocessen schakelen. Wanneer iemand zogezegd ‘tegelijkertijd’ zijn/haar huiswerk maakt, op Facebook zit en mailtjes verstuurt, schakelt hij/zij eigenlijk tussen deze verschillende taken; waar qua doeltreffendheid en resultaat vraagtekens bij geplaatst kunnen worden.
De derde stelling, dat onderwijs niet langer dient te focussen op kennisoverlevering doordat enerzijds de overgeleverde informatie sneller achterhaald wordt en de studenten anderzijds eigenlijk alles online kunnen opzoeken, wordt genuanceerd. Illustratief is volgende quote: “what we know determines what we see (and how we see it) and not the other way around”. Kennis is nodig; en meer specifiek kennis van de manier waarop informatie “gezocht, gevonden, geëvalueerd, geselecteerd, verwerkt, georganiseerd en gepresenteerd” wordt.

Tot slot wil ik bij dit artikel toch een kleine kanttekening maken, die al dan niet zelf reeds door de auteurs wordt aangereikt. Zoals eerder aangehaald wordt in het artikel vrij snel gesteld dat de “onderwijsvernieuwingen die van deze ‘nieuwe mens’ uitgaan gedoemd zijn om te mislukken”. Volgens mij is dit wat te cru gesteld: is er wel degelijk een logische oorzaak-gevolgrelatie & werd hier al specifiek onderzoek naar verricht? Misschien worden de beoogde effecten niet bereikt, maar welke dan wel en zijn deze dan ook minder waardevol? Het is nu aan de Y-generatie om dat antwoord te bieden.


Bron

Kirschner, P. A., & Van den Berg, E. (2012). Pas op: Hypes - ICT-trends in en voor het onderwijs [Be careful with hypes - ICT Trends in and for education]. In L. A. Plugge (Ed.), WTR Trendrapport 2012: De Bakens verzetten (pp. 1-11). Utrecht, The Nederlands: Stichting SURF. http://dspace.ou.nl/bitstream/1820/4773/1/WTRrapport2012%20web%20-%20Pas%20Op%20Hypes.pdf


Andere themagerelateerde links

Vergif of mogelijkheid?


Vergif of mogelijkheid?

De zoektocht naar een interessant artikel leidde me naar “Gsm in de klas: Vergif of wereld van mogelijkheden?” (De standaard, 2012). In dit artikel wordt de discussie aangegaan tussen het al dan niet gebruiken van de Smartphone in de klas? Mogen leerlingen hun eigen Smartphone al dan niet gebruiken in de lessen? Welke voor- en nadelen brengt dit gebruik met zich mee?

Vooreerst komt Geert Callebaut (Docent Nieuwe media aan  de KAHO Sint Lieven) aan het woord die een voorstander is voor het gebruik van de eigen Smartphone in de klas. Hij haalt aan dat door middel van deze toepassingen je de lessen spelenderwijs interessanter maakt voor je leerlingen. Hiernaast is het een kosteloos gebeuren wanneer je inlogt op het schoolnetwerk met je Smartphone. Callebaut is het er eveneens niet mee eens dat de GSM en Smartphone worden verboden in klaslokalen. Hij is van mening dat : “Jongeren zouden waarschijnlijk veel minder om de verkeerde redenen door hun gsm afgeleid zijn als de scholen de gsm veeleer als een kans zouden zien” (2012, p.15).

Welke toepassingen kan de leerkracht volgens Callebaut realiseren?

-          Het gebruik van applicaties: Elke leerling een anoniem antwoord laten geven op een gestelde vraag. Dit kan gerealiseerd worden door een applicatie op de Smartphone van de leerlingen te installeren. Hierbij krijgt de leerkracht een overzicht van de al dan niet begrijpen van de leerstof.

-          Het gebruik van QR-codes:  Door het inscannen van deze codes kunnen leerlingen extra informatie (filmpjes, luisterfragmenten, foto’s  of een tekst) krijgen omtrent de geziene leerstof.

-          Het gebruik van geocaching: Door middel van coördinaten leerlingen laten op zoek gaan naar een plaats.

Michel Janssen (Directeur Technisch onderwijs Sint-Lodewijk) is het niet geheel  eens met Geert Callebaut’s manier van denken.  Hoewel Janssen bemerkt dat er nood is aan vooruitgang en dat deze zeker merkbaar is in de technologie herkent hij ook verschillende nadelen van het gebruik van de Smartphone in de klas. 

Welke nadelen brengt het gebruik van de Smartphone in de klas met zich mee?

-          Afleiding: De telefoon die rinkelt.

-          Spieken:  Aan de hand van zelfgemaakt foto’s van notities of sms’en naar anderen kunnen de leerlingen hulp in roepen tijdens het afleggen van toetsen of examens.

-          Privacy:  Wat met de vrijheid van medeleerlingen en leerkrachten die dient gewaarborgd te worden? Leerlingen die beelden en geluidsfragmenten gedurende de les maken en deze uploaden op Facebook  of You Tube.

Hoe dienen we er dan wel voor te zorgen dat er vooruitgang komt op vlak van onderwijstechnologie?

Janssen bemerkt hier dat het belangrijk is dat er vooruitgang is maar dat hierbij rekening wordt gehouden met volgende aspecten. Vooreerst dient men na te gaan welke toepassingen een invloed kunnen hebben op het leerproces van de leerling. Hiernaast is het belangrijk dat we onze leerlingen leren omgaan met de media. Dat ze stilstaan bij de voor-en nadelen  maar ook met de consequenties die er aan vasthangen.

Eigen reflectie:

Toen ik dit artikel las stond ik zelf even stil bij mij eigen mening ten opzichte van het gebruik van nieuwe media ( internet, tablet, Smartphone ) in de klascontext. Hierbij bemerk ik dat het de dag van vandaag belangrijk is om de leerlingen hier mee vertrouwd te maken. Eveneens is het van groot belang dat de leerlingen leren werken met de moderne technologie, deze zal belangrijk zijn voor hun verdere leerproces. Echter ben ik wel van mening dat er een goed evenwicht dient gevonden te worden tussen werken met de nieuwe technologie en de andere werkvormen die er reeds bestonden. Hiernaast dient een voorafgaande les of meerder lessen de leerlingen inzicht te doen krijgen in het gebruik van internet, Smartphone en dergelijke. Hierbij dienen ze eveneens inzicht te krijgen in de verschillende consequenties dat dit met zich mee kan brengen zoals pesten, privacy en informatie op het internet. Volgens mij wordt hier amper tijd voor vrij gemaakt in de lessen.

Voordelen:

-          QR-codes is een positief hulpmiddel voor extra informatie aan te bieden. Dit kan zeker een pluspunt zijn voor leerlingen die een oefening snel hebben afgewerkt. Hierna kan de leerling door middel van de QR-code extra informatie en oefeningen aanbieden.

-          Leerlingen leren werken met de verschillende nieuwe mediavormen.

Nadelen:

-          Heeft elke leerling wel een Smartphone of kunnen we verwachten dat iedereen dit aankoopt? Naar mijn mening kunnen we dit niet opleggen tenzij de school hierin financieel bijdraagt.

-          Pesten en privacy van de medeleerlingen en leerkrachten.

-          Spieken

 
Referentie
Delepeleire, Y. (2012) “Gsm in de klas: Vergif of wereld van mogelijkheden?”. De standaard , November 2012. Geraadpleegd via https://lirias.kuleuven.be/bitstream/123456789/394955/1/Callebaut+Geert+15-11-2012+De+Standaard.pdf        


extra links



http://www.klasse.be/leraren/19797/slim-met-de-smartphone/

dinsdag 2 april 2013

Flipped classroom, geflipt?!


Flipped classroom, geflipt?!


Tijdens de zoektocht naar een interessant artikel voor deze taak kwam ik verschillende interessante artikels tegen, maar het artikel “Flipping the classroom zet de les op zijn kop” (Klasse voor leraren, maart 2013) sprak me het meest aan.

Samenvatting

Dit artikel, verschenen in de editie van “Klasse voor leraren” van maart 2013 vertelt ons het verhaal van 3 leerkrachten die elk op hun eigen manier omgaan met ‘screencasts’ binnen de lespraktijk en er ook elk hun eigen visie over hebben.
Erwin Meyers (leraar wiskunde WICO Campus Tio Overpelt) omschrijft deze ‘screencasts’ als “korte instructiefilmpjes waarin hij een kernbegrip uitlegt” (Callebaut, Faems, Meyers & Velghe, 2013). Deze filmpjes worden vervolgens op YouTube geplaatst. De bedoeling is dan dat de leerlingen de leerstof thuis assimileren en ze nadien in de les leren toepassen. Dankzij deze filmpjes zou de leerkracht meer mogelijkheden krijgen om de leerstof uit te diepen en na te gaan of de leerlingen daadwerkelijk alles begrepen hebben, aldus Erwin Meyers.
Bram Faems (ICT-coördinator Jonatanschool, Sint-Niklaas) gaat nog een stapje verder in het gebruik van deze onderwijstechnologie en laat de leerlingen zelf ‘screencasts’ maken; “Ze gaven zelf de uitleg en monteerden die in een screencast, als instructiefilmpje voor de flipped classroom. We zijn dus nog een stap verder gegaan: we hebben de flipped classroom geflipt! Wat bleek: mijn leerlingen begrepen de leerstof effectief veel beter als ze die zelf mochten uitleggen.” (Callebaut, Faems, Meyers & Velghe, 2013). Bram Faems vermeldt echter wel dat hij het belangrijk vindt de flipped classroom als een extra tool te gebruiken zonder hierbij alle andere werkvormen uit het oog te verliezen.
Geert Callebaut (docent aan de lerarenopleiding van KAHO Sint-Lieven), op zijn beurt, is van mening dat deze technologie binnen de lerarenopleiding zou moeten toegepast worden om toekomstige leerkrachten er zo mee vertrouwd te maken.
Jan Velghe (onderwijsontwikkelaar aan de Universiteit Gent), tot slot, vindt het geen goed idee om de theorie helemaal buiten de les aan te bieden. “Sommige leerlingen hebben klassikale lessen echt nodig. In de klas zie je en voel je of je leerlingen al dan niet mee zijn. Als je de classroom flipt, is het daarom belangrijk om te toetsen of je leerlingen de kennis echt opgedaan hebben. Dat doe je bijvoorbeeld via zelftests op het leerplatform. Wie slaagt, krijgt een ‘ticket’ voor de les. Of je begint de les met een kleine quiz. Die bevat dan de kernpunten voor het vervolg van de les.” (Callebaut, Faems, Meyers & Velghe, 2013).

 

Eigen reflectie

Bij het lezen van dit artikel maak ik me onmiddellijk enkele bedenkingen. Enerzijds vind ik het een erg interessant concept en zou ik er graag mee vertrouwd geraken. Het feit dat deze onderwijstechnologie je talrijke mogelijkheden biedt om tijdens de lessen dieper op de leerstof in te gaan lijkt me daarbij het grootste voordeel. Ook denk ik dat het een handig hulpmiddel is om de leerling te helpen een eigen leermethode te ontwikkelen. Wanneer de leerlingen de ‘screencasts’ bekijken zullen zij (onbewust) een eigen leermethode ontwikkelen om de leerstof te onthouden, en dit op hun eigen tempo.
Anderzijds moet men zich de vraag stellen of deze onderwijstechnologie niet té veel zelfstandigheid vergt van de leerling. Wanneer de leerstof ‘face to face’ onderwezen wordt kan de leerling zijn vragen meteen op de leerkracht afvuren, maar hoe zullen zijn vragen beantwoordt worden als hij de theorie zelfstandig (aan de hand van de ‘screencasts’) moet verwerven? Bovendien kan men zich ook afvragen of men als leerkracht voldoende controle heeft over het al dan niet bekijken van de ‘screencasts’ door de leerlingen.
Hieronder vindt u een korte opsomming van de pro’s en contra’s die in me opkwamen bij het lezen van dit artikel.

Pro

·         Tijdsbesparing: de leerkracht kan tijdens de les sneller en uitgebreider ingaan op de toepassing van de theorie
·         Tempo-verschillen: elke leerling kan de leerstof op z’n eigen tempo assimileren
·         Ontwikkeling van een eigen leermethode
·         Vertrouwd raken met technologie

Contra

·         Té veel zelfstandigheid: waar kunnen de leerlingen terecht met hun eerste vragen?
·         Verhoging van de werkdruk: als de leerlingen meerdere vakken moeten bijhouden aan de hand van ‘screencasts’ hebben ze met de tijd meer werk thuis dan op school
·         Heeft elke leerling voldoende mogelijkheden? (vb. rustige ruimte, computer, internetverbinding,…)
·         Leerlingen zullen sneller afgeleid raken tijdens het leren (internet, mensen die de kamer in- en uitlopen, …)

Besluit

Ik vind het verwerven van leerstof aan de hand van ‘screencasts’ een heel interessant concept, maar stel me de vraag of dit niet eerder weggelegd is voor meer volwassen studenten aan hoge scholen en universiteiten. Hierbij ga ik uit van het principe dat kinderen zeker zelfstandig moeten leren werken, maar op tijd en stond ook nood hebben aan een ‘begeleidende hand’. Wanneer ik deze onderwijstechnologie zou inzetten binnen mijn eigen onderwijspraktijk, dan zou ik dit zeker doen in  afwisseling met andere werkvormen (rekening houdend met de moeilijkheidsgraad van de desbetreffende leerstof).

Bron

Callebaut, G., Faems, B., Meyers, E., Velghe, J. (2013). De meester staat op Youtube. Flipping the classroom zet de klas op zijn kop. Klasse voor leraren, Maart 2013, 233, 42-45.
http://www.klasse.be/leraren/magazine/?nr=233

Extra links in verband met dit onderwerp