woensdag 12 maart 2014

Ik ben al blij dat ik met een digibord kan werken



Inleiding:

Het artikel "ik ben al blij dat ik met een digibord kan werken", verscheen in de magazine Klasse, in de oplage van december 2013. Binnen dit artikel kaart men het probleem aan, ondanks er voldoende middelen aanwezig zijn , de leerkrachten te weinig gebruik maken van ICT tijdens hun lessen. Een talentenschool in Turnhout wou het gebruik binnen de school verdubbelen en geeft aan hoe het schoolteam technologie als prioriteit hebben gesteld binnen hun onderwijsinstelling.


Korte samenvatting:


Een gemiddelde Vlaamse secundaire school heeft een computer/laptop ter beschikking per 2 leerlingen. Binnen het basisonderwijs komt dit op ongeveer 6 leerlingen. Ten opzichte van de rest van Europa doen we dit zeker niet slecht. Maar ondanks deze goede uitrusting maakt men te weinig gebruik van ICT. Uit studie is gebleken dat slechts 1/3 van de leraren secundair onderwijs regelmatig gebruik maakt van ICT tijdens de lessen. Als voorbeeld nam men de school uit Turnhout. Zij investeerden fors in tablets en digiborden, maar al gauw kwam men tot de constatatie dat deze onvoldoende genuttigd werd. Zij maakten van ICT een prioriteitsbeleid, waarbij 1 persoon als ICT-coördinator werd aangesteld. Dit bleek het succes te zijn, een persoon die klaarstaat om leraren warm te krijgen met behulp van tips en tricks. Op het einde van de rit bleek dat het gebruik van ICT binnen hun school gestegen was met 80%. (Klasse, 2013)

Persoonlijke reflectie:

Ik kan me perfect aansluiten bij het feit dat niet enkel de aankoop van nieuw materiaal en investeringen, ter bevordering van de computerlokalen, een voldoende aanzet is tot het gebruik ervan. Men krijgt de apparatuur wel voorgeschoteld, maar kan men deze optimaal benutten? Tenzij je er de nodige kennis voor hebt lukt dit uiteraard. Leerkrachten moeten begeleid worden in hun avontuur in de ICT-wereld. 

Men haalt aan dat er nog teveel leerkrachten angst hebben om ICT te gebruiken. Men moet eenmaal rekening houden dat niet ieder persoon opgegroeid is met het digitale tijdperk. Niet elke persoon is ook even sterk met het gebruik ervan. Een goede begeleiding en nascholing is onmisbaar om ook deze mensen warm te krijgen voor het gebruik van Tablets, Apps, enz. 

Uiteraard moet een dagdagelijks gebruik van ICT geen must zijn. Men moet ook de sociale interactie vrijwaren. Niet alles moet via filmpjes of digitale leerplatformen gebeuren.  Zowel leerlingen als leraren moet ook nog rechtstreeks met elkaar communiceren. Zowel binnen als buiten de schoolcontext. Correct afwisselend gebruik ervan kan wel een aanzet zijn tot een gevarieerde en betere aandachtshouding van jou leerlingen.

Turnhout is een voorbeeld voor andere scholen , wat betreft het gebruik van ICT. Er worden pedagogische studiedagen georganiseerd in teken van technologie op school. Maar wat ik het belangrijkste vindt is, dat er een pedagogisch team werd opgesteld met 1 ICT-coördinator (Klasse,2013). Vele scholen hebben wel iemand die zorgt dat het internet beveiligd is, dat alle nodige programma's geïnstalleerd zijn. Maar slecht weinig van deze ICT-verantwoordelijken vestigen ook de aandacht voor didactische tips. Binnen deze school kunnen leerkrachten zich aanmelden bij deze persoon voor allerlei vragen omtrent de praktische toepassing van ICT. Dit leidt tot een verbetert succes van het gebruik tijdens de lessen.   

Ten deze tijden zijn veel leerlingen en jonge leerkrachten vertrouwt en opgegroeid met de digitale wereld. deze is niet meer weg te denken uit ons dagdagelijks leven. Maar men mag er niet van uitgaan dat iedereen dit kan of interesseert. Als school moet men dus voldoende aandacht vestigen in de integratie en begeleiding van moderne technologie, wil men dit voor iedereen als een succesbeleving willen ervaren.

Referentie:

Klasse, (2013, Dec), Ik ben al blij dat ik met een digibord kan werken, nr 240, p10-13,
Retrieved from, http://www.klasse.be/leraren/40512/ik-ben-al-blij-dat-ik-met-een-digibord-kan-werken/

link:  http://www.klasse.be/leraren/40512/ik-ben-al-blij-dat-ik-met-een-digibord-kan-werken/ 















maandag 10 maart 2014

Online oefenplatformen veroveren lagere scholen


Het artikel

Het artikel is verschenen op 27 januari 2014 op klasse. Dit is een tweede versie van het artikel, een oudere versie is reeds aangepast geworden na feedback van de lezers. Het artikel gaat over de online oefenplatformen die gebruikt worden als extra oefenmateriaal in verscheidene lagere scholen in België. Dit artikel vergelijkt verschillende oefenplatformen en de kostprijs.

Samenvatting artikel

“Dit schooljaar oefenen twee op de drie Vlaamse leerlingen hun leerstof op Bingel. Dat is een online oefenplatform voor de lagere school van uitgeverij Van In. Dat al drie jaar na de opstart zo’n groot deel van de leerlingen met het online oefenplatform werkt, betekent dat er duidelijk vraag naar is. De drie platformen die gebruikt worden zijn Ambrasoft, Bingel en Kweetet.be. Deze bieden in de eerste plaats extra oefeningen aan die gebruikt kunnen worden bij hun eigen lesmethodes. De oefeningen zijn echter ook bruikbaar als aanvulling op andere lesmethodes. Ze werden door pedagogen van een spelelement voorzien en bieden leraren ondersteuning bij hun lessen, evaluatie en remediëring. De leraar kan de oefenresultaten van elke leerling inkijken” (Klasse, 2014).

Reflectie
In het onderwijs is het van groot belang voor leerkrachten om hun leerlingen extra te kunnen stimuleren. Aan de hand van deze online oefenplatformen kunnen zij dit verwezenlijken. Het grootste voordeel van deze oefenplatformen is dat ze het nuttige aan het plezierige koppelen. “De 3 oefenplatformen die beschreven worden in dit artikel gebruiken een methode waarbij de leerling een avontuur moet voltooien of muntjes kan verdienen door oefeningen op te lossen waardoor de leerlingen een kort spelletje kunnen spelen”  (Klasse, 2014). Deze aanpak zorgt ervoor dat de leerlingen gemotiveerd blijven om oefeningen te maken. Dit is heel belangrijk aangezien leerlingen snel afgeleid zijn door andere dingen dan huiswerk. Met behulp van deze oefenplatformen lijkt hun huiswerk echter fijner te zijn omdat ze dit combineren met het spelen van spelletjes of het oplossen van een avontuur. 

“Ook is er een mogelijkheid voor de leerkracht en ouders om de oefeningen online te verbeteren of de leerlingen kunnen de oefeningen afprinten en meenemen naar de les” (Klasse, 2014). Dit is van groot belang zodat de leerlingen steeds opgevolgd worden en de leerkrachten extra uitleg kunnen geven waar nodig.

“Ook zijn er al oefenplatformen die gepersonaliseerde oefeningen hanteren voor de leerlingen. Het oefenplatform merkt op met welke leerstof een leerling problemen heeft en op basis daarvan maakt het een gepersonaliseerde oefenset” (Klasse, 2014). Dit zijn één voor één geweldige voordelen om leerlingen de leerstof al spelenderwijs bij te brengen.

De kostprijs van deze oefenplatformen zou in de nabije toekomst bij in het lessenpakket moeten zitten zodat er geen extra toelage gevraagd dient te worden door de school aan de ouders om hun kinderen dit extra privilege te geven. De platformen waarover er gepraat wordt in het artikel zijn alleen geschikt voor leerlingen schoolgaand in het lager onderwijs, maar ook kan dit in de toekomst van groot belang zijn voor leerlingen in het middelbaar onderwijs en zelfs hoger onderwijs. Momenteel worden er sites voorzien die leerlingen van het middelbaar onderwijs met bepaalde problemen zoals: dyslexie en dyscalculie kunnen hanteren. Deze oefensites kunnen individueel nog veel verbetert worden, zodat er  oefenplatformen ontstaan die gelijk zijn aan de hierboven vermelde oefenplatformen die gebruikt worden in de lagere school.

Persoonlijk vind ik deze oefenplatformen van groot belang voor de ontwikkeling van de leerlingen, op deze manier leren ze spelenderwijs oefeningen maken die hun zullen helpen met hun verdere ontwikkeling.

Referenties

Klasse. (2014, Jan 27). Online oefenplatformen veroveren lagere scholen. Retrieved from http://www.klasse.be/leraren/42963/online-oefenplatformen-veroveren-lagere-scholen/




ICT op school: (R)evolutie?



Inleiding

Sinds de invoering van technologie in het onderwijs en de investeringen die de overheid gedaan heeft om technologie in te bedden in alle niveau's binnen het onderwijs steeg ook de vraag naar een meetinstrument om deze inspanningen te evalueren. Tijdens schooljaar 2007-2008 werd een eerste evaluatie gedaan van de aanwezige infrastructuur en gebruik ervan binnen het onderwijs, MICTIVO1 was een feit (Monitor voor ICT-integratie in het Vlaamse onderwijs). Vijf jaar later werd ook MICTIVO2 een feit, een geoptimaliseerd en gevalideerde monitor om de integratie van technologie binnen het onderwijs te meten. 

Samenvatting

Uit het onderzoek komen een aantal kwantitatieve resultaten alsook een aantal kwalitatieve bevindingen. Zo komen volgende cijfers voort uit het onderzoek met betrekking tot het aantal beschikbare computers niet ouder dan 4 jaar: 

  • in het gewoon basis onderwijs 6,7/100 (totaal:17,4/100)
  • in het buiten gewoon basis onderwijs 16,2/100 (totaal:35,7/100)
  • in het gewoon secundair onderwijs 33,0/100 (totaal:56,5/100);
  • in het buitengewoon secundair onderwijs 12,5/100 (totaal:30,7/100).
In vergelijking tot MICTIV01 is er wel een positieve inspanning te registreren wat betreft het aantal computer, echter de toestellen zijn meestal wel verouderd.

Verder blijkt uit het onderzoek dat scholen de laatste jaren vooral hebben geïnvesteerd in digitale borden en in mindere mate ook in laptops en projectoren. Echter, meer en meer jongeren, 98% op precies te zijn, hebben thuis toegang tot een computer met internet en meer en meer hebben deze jongeren ook een eigen computer met toegang tot het internet (3/4 in het secundair onderwijs).

Wanneer het gebruik van deze toestellen bij jongeren word geanalyseerd blijkt dat jongeren vooral gebruik maken van een computer tijdens de vrije tijd. Enkel meisjes blijken een computer meer te gebruik voor het maken van huiswerk. Ook directies en leerkrachten geven aan dat ICT vooral gebruikt wordt om de lessen voor te bereiden. In het lager onderwijs gebruikt 4 procent van de leraren nooit een computer tijdens de les, in het secundair onderwijs is dat 13 procent. In het lager onderwijs gebruikt iets meer dan de helft van de leraren de computer geregeld tijdens de les. In het secundair is dat slechts één op de drie. De helft van de leraren secundair gebruikt ICT slechts een paar keer per jaar in de les. Wanneer we MICTOVO 1 en MICTIVO 2 met elkaar vergelijken blijkt dat enkel de leerkrachten uit het lager onderwijs echt geloven in toepassingen van technologie tijdens de lessen. Bij de andere actoren van het onderwijs werd geen verschil opgemeten.

Reflectie


Uit beide onderzoeken blijkt dat de gedane inspanningen lonen als het op ICT-infrastructuur aankomt. Echter wordt aangetoond dat steeds meer en meer leerlingen over de nodige toestellen beschikken. Wanneer de leerlingen zou worden toegelaten om computers mee naar school te nemen zou elke leerling in het bezit kunnen zijn van een computer tijdens te lessen. Problemen zouden zich kunnen stellen op gebied van gebruik van verschillende tekstverwerkers, het gebruik van software die voor iedereen toegankelijk is kan hier onmiddellijk een oplossing bieden. (Free open-source software: FOSS) 

Het gebruik van ICT door  leerkrachten situeert zich momenteel meer binnen het kader van het voorbereiden van de lessen. Om bepaalde zaken meer begrijpbaar te maken zou ook gebruik van ICT binnen de lessen een echte "must" moeten zijn. Neem nu bijvoorbeeld tijdens de lessen biologie, een reis doorheen de verschillende delen van het hart kan een mooie applicatie zijn om te gebruiken tijdens één van de lessen. Leerkrachten leverden reeds mooie inspanningen bij het gebruik van ICT maar dit zou dus nog meer moeten plaatsvinden tijdens de lessen zelf. Daar waar leerkrachten van het lager onderwijs veel waarde toekennen aan het gebruik van ICT, zou deze evolutie zich moeten doorzetten naar het secundair onderwijs, daar waar meer complexere materie aan bod komt. Het aanbieden van bijscholingen georganiseerd door de school kunnen hier ondersteuning bieden.

Referenties

http://www.klasse.be/leraren/40547/leraren-bang-van-de-computer/
http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/projecten/2011/11.02/VII.VergelijkingMICTIVO1.pdf
http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/projecten/2011/11.02/BeleidssamenvattingMICTIVO2.pdf

KanoKit: Open-source voor kinderen

Graag wil ik een artikel, verschenen op 19 december 2013, op de website educationnews.org bespreken over een technisch vernuft namelijk de Raspberry Pi in de vorm van een educatieve kit, de Kano Kit (Mirabel, 2013).

Wat is een Raspberry Pi?

De Raspberry Pi, ter grootte van een kredietkaart, is een stukje hardware met een kostprijs van rond 30 euro, met dezelfde functionaliteit als een computer.  Deze hardware is ontwikkeld naar het idee om kinderen de mogelijkheid te geven om een zo goedkoop mogelijke computer te kunnen aanschaffen om de programmeerervaring niet te laten belemmeren door de kostprijs. Het belangrijkste onderdeel is dat het besturingssysteem en alle code open-source is. De Raspberry Pi foundation subsidieert open-source projecten met de opbrengst van de Raspberry Pi.

Samenvatting artikel

Omwille van de verschuiving van de oorspronkelijke doelgroep van dit stukje hardware van kinderen naar volwassen hobbyisten, wil deze kit de doelgroep van kinderen terug bereiken.
De Kano Kit is een open-source educatieve kit gebaseerd op de Raspberry Pi. Deze kit bevat genoeg documentatie in verhaalvorm om de moeilijkheidsgraad te verlagen tot het niveau van het bouwen van een Legokit. Daarnaast is deze kit een middel om de computerlessen aangenamer en interactiever te maken op school.

Reflectie

Persoonlijk vind ik het zeer goed dat deze technologie op een kindvriendelijke manier wordt aangeboden op school. Zoals uit het artikel op de website pcpro.co.uk blijkt dat heel wat Raspberry Pi’s, niet in kitvorm, op school stof vergaren omdat de leraar het voor zichzelf een te grote drempel vindt (Ghosh, 2014). Deze KanoKit dat alles in een kant-en-klare oplossing bundelt, is in mijn ogen voor veel leraren welkom. Verder ben ik ook een voorstander van het feit dat hardware en  (open-source) software wordt aangeboden aan kinderen. Uit de vroegere technologielessen in het middelbaar onderwijs, bleef dit beperkt tot de elektronicabordjes waar geen programmatie aan te pas kwam. Kinderen ervaren zo beide aspecten van technologie op een spelende manier en zijn trots dat ze zelf iets hebben gemaakt. De creativiteit van de computerlessen kan floreren door de hoeveelheid aan beschikbare open-source projecten gaande van kleine spelletjes, robotjes tot mediacenters,servers. Deze technologie past daardoor perfect in de brede ingangsjaren van de hervorming van het secundair onderwijs.

Artikels

Ghosh, S. (2014, 01 03). Raspberry Pi "gathering dust" in schools. Geraadpleegd op 03 10, 2014, op PCPro: http://www.pcpro.co.uk/news/education/386302/raspberry-pi-gathering-dust-in-schools


Mirabel, S. (2013, 12 19). Raspberry Pi Launches Kano Kits To Teach Kids Computing. Geraadpleegd op 03 10, 2014, op education news: http://www.educationnews.org/technology/raspberry-pi-launches-kano-kits-to-teach-kids-computing/

vrijdag 7 maart 2014

Smet: “Scholen boeken vooruitgang, maar hebben nog een weg af te leggen”

Het artikel


Graag zou ik willen verwijzen naar een artikel dat op 29 november 2013 verschenen is op Klasse. Het artikel geeft een stand van zaken met betrekking tot de ICT-infrastructuur, het ICT-beleid en het ICT-gebruik in onze scholen. Hierna wordt er even ingegaan op enkele beleidsinitiatieven die reeds genomen werden om de inbedding van ICT in het onderwijs te bevorderen. Tenslotte wordt er aandacht besteed aan de stappen die volgens minister Pascal Smet noodzakelijk zijn om leerkrachten en leerlingen klaar te stomen voor de digitale maatschappij van morgen. Ook zijn streefdoel voor de toekomst wordt uit de doeken gedaan.

Samengevat


De nieuwste ICT-monitor toont aan dat scholen mee veranderen met de zich digitaliserende samenleving. De verregaande digitalisering grijpt met andere woorden ook binnen het onderwijslandschap om zich heen: er wordt geïnvesteerd in digitale borden, computerlokalen dienen steeds meer plaats te ruimen voor een mobiele aanpak, vrije software vindt relatief makkelijk zijn ingang, ... . Ook qua internetfaciliteiten gaan scholen erop vooruit. Vele scholen hebben inmiddels een ICT-beleid en ICT-coördinatoren.

In navolging van het advies van de VLOR, pleit minister Pascal Smet voor het bewust omgaan met ICT op school. Hij stelt echter vast dat het schoentje lijkt te knellen bij de ICT-integratie in de klas. Het uitbreiden van de infrastructuur betekent nog niet dat we allen massaal gaan inspelen op nieuwe manieren van leren. Hoewel het merendeel van de leerkrachten tijdens het voorbereiden gretig gebruik maakt van een computer, heerst er bij een relatief groot aantal leerkrachten nog steeds een soort van "computer anxiety" als het op incorporatie van ICT in het klaslokaal aankomt. Soortgelijke discrepantie vinden we ook tussen de attitudes en het thuisgebruik van de leerlingen en het gebruik in de klas.

Om inspirerende en stimulerende schoolomgevingen mogelijk te maken en beter aan te sluiten bij de leefwereld van kinderen en jongeren wil minister Pascal Smet de ICT-integratie in de klas bevorderen. De betere inbedding van ICT moet ervoor zorgen dat de gepaste competenties om zich aan te passen aan de steeds snellere veranderingen in onze maatschappij op school verworven worden. Pascal Smet streeft naar een vorm van "blended learning", ondersteund door een grote gebruiksvriendelijkheid en flexibiliteit. De mogelijkheden die digitale leeromgevingen bieden, de kracht van edutainment, en het faciliteren van differentiatie zijn enkele van de voordelen van ICT-integratie die in de tekst aan bod komen.

Reactie


Bij het artikel werd inmiddels reeds een reactie geplaatst van een ouder die niet tevreden was met het te pas en te onpas inzetten van ICT in de klas. Ze plaatste haar vraagtekens bij het ten volle incorporeren van ICT in het onderwijs. Maar de wereld verandert: zowel leerkrachten als leerlingen gebruiken computers veelvuldig in hun dagelijkse leven, mensen en smartphones lijken onafscheidelijk te worden, en virtuele communicatie en face-to-face vullen elkaar steeds meer aan. Het onderwijs kan toch maar moeilijk achterop blijven hinkelen?

Als beginnende leerkracht dien ikzelf nog te ontdekken hoe het potentieel van ICT op een gepaste wijze te benutten. ICT kan geen doel op zich zijn, maar het kan een middel zijn om een doel te bereiken, namelijk het faciliteren van het leren. Mijn leerlingen lijken wel te houden van een multimediale aanpak. Maar eerlijk toegegeven, mijn gebrek aan ICT-vaardigheden kan me soms ook nog de das om doen (waar moet deze stekker ook al weer, waar staat de knop van de beamer, waarom gaat het geluid niet aan, wat doe ik met deze video met de foute extentie?). Gelukkig staat er steeds weer een leerling klaar die trots zijn/haar skills laat zien!

Als ik zo vrij zou mogen zijn om hier een vraag te stellen... kies jij voor een droog historisch overzicht van de verschillende communicatiemiddelen of voor een staaltje edutainment gevolgd door een reeks van geprojecteerde afbeeldingen van verschillende media doorheen de tijd die bij wijze van oefening nog eens benoemd worden?

Referenties


Klasse Leraren (29 november 2013). Smet: "Scholen boeken vooruitgang, maar hebben nog een weg af te leggen". Laatst geraadpleegd op 7 maart 2014 via http://www.klasse.be/leraren/40588/smet-scholen-boeken-vooruitgang-maar-hebben-nog-een-weg-af-te-leggen/

Ntr: school tv  (NPO). Morsecode: Een manier om te communiceren. Laatst geraadpleegd op 7 maart 2014 via http://www.schooltv.nl/beeldbank/clip/20091223_morsecode01

donderdag 6 maart 2014

Online Onderwijs voor Rwanda


Facebook heeft besloten om collaboratief onderwijs voor Rwanda op het internet aan te bieden. Deze nieuwe dienst heet SocialEDU. Hierbij worden cursussen en lessen vanuit grote universiteiten zoals Harvard en MIT aan studenten in Rwanda aangeboden. Zowel Nokia, Airtel, en de Rwandese overheid zijn met het project betrokken en leveren elk hun belangrijk deel om dit project te doen slagen. Het eindproduct van deze onderwijskans zal een applicatie zijn die gemaakt is door en geintegreerd is met Facebook. Dit betekent dat de studenten eerst bij Facebook moeten inloggen om deel te kunnen nemen aan het onderwijs en de aangeboden cursussen. Vanuit Facebook is er verder sprake over meer soortgelijke projecten in andere landen en dat Rwanda het test-land is.

Enerzijds is dit baanbrekend initiatief een grote winst voor zowel de overheid van Rwanda en ook voor de leergierige studenten van dit land. Dit project brengt een nieuwe hoop voor ontwikkelingslanden, die weinig middelen hebben om hun bevolking onderwijs aan te bieden en hun vertrouwd te maken met de technologie van morgen. Anderzijds monopoliseerd Facebook zo het eenvoudig toegankelijk onderwijs in Rwanda, en oefenen zij hiermee enorme macht uit. Het verplichten van de leerlingen en studenten om Facebook te hebben is eveneens immoreel. Hierdoor is er een soort gijzeling, waarbij aleen onderwijs wordt gegeven bij het gebruiken van de diensten van Facebook.



Bronnen

Brandon, Russell. "Facebook will use Nokia phones to bring online classes to Rwanda". The Verge. 24 Feb. 2014. Web. 4 Feb. 2014. <http://www.theverge.com/2014/2/24/5441948/facebook-will-use-nokia-phones-to-bring-online-classes-to-rwanda>

dinsdag 4 maart 2014

Filosofie en zijn relatie met computertechnologie.

Computers in het vakgebied filosofie

Dit artikel trok mijn aandacht gezien het niet direct een evidentie lijkt om deze twee noties met elkaar te verbinden. 

Het artikel werd onder meer geïnspireerd door Professor Dr. Arianna Betti, Dr. Hein van den Berg en  Jeroen Smid, Professor in Taalfilosofie, Wijsbegeerte & Institute for Logic, Language and Computation, aan de Universiteiten van Amsterdam,  Groningen en Lund, (Zweden).

Ook in het vakgebied filosofie waarin de relatie met mijn vakgebied niet-confessionle zedenleer ligt, kent ook veelbelovende ontwikkeling in het vakgebied. De vraag is dan welk?Het is duidelijk dat de ontwikkeling van computertechnologieën de geesteswetenschappen ingrijpend veranderen. Een voorbeeld hiervan is Google’s NGram Viewer die het mogelijk maakt om culturele fenomenen te bestuderen door middel van de analyse van miljoenen boeken. Of concreet: zoekt men bijvoorbeeld met dit programma naar de Joodse kunstenaar Marc Chagall, dan ziet men dat de naam Marc Chagall tussen 1934 en 1940 in alle Duitstalige boeken steeds minder voorkomt. Historici beschikken zo over kwantitatieve data die kunnen helpen met de bestudering van, bijvoorbeeld, censuur tijdens het Naziregime. In het nieuwe onderzoeksveld Digital Humanities onderzoekt men culturele data die verkregen zijn of geanalyseerd worden middels zulke computertechnologieën.
In de filosofie worden computertechnologieën pas sinds kort toegepast. Deze ontwikkeling is veelbelovend en zal de filosofie veranderen. Zoals we weten kent de filosofie  vele deelgebieden. Ethici bestuderen bijvoorbeeld welke normen en waarden we kunnen rechtvaardigen, wetenschapsfilosofen onderzoeken dan weer de methoden en theorievorming binnen de wetenschappen. In de geschiedenis van de filosofie onderzoekt men de ontwikkeling en de betekenisverandering van begrippen zoals ‘waarheid’, ‘deugd’ en ‘democratie’. De  nieuwe computertechnologieën brengen een methodologische vernieuwing teweeg wat dan weer zijn invloed heeft  tot nieuwe onderzoeksvragen.
De filosofische methode wordt vaak omschreven als conceptuele analyse. Een ethicus kan op basis van de kwalitatieve analyse van een relatief kleine hoeveelheid tekst jarenlang nadenken over de betekenis van ‘autonomie’. Een historicus van de filosofie kan zijn carrière besteden aan de interpretatie van Kants begrip ‘Organismus’ en het belang van dit begrip voor de negentiende-eeuwse biologie. Traditionele filosofische methoden zijn tijdrovend, kwalitatief, en relatief kleinschalig. Met computertechnologie, zoals Google NGram, kan men met een muisklik vaststellen dat het gebruik (frequentie) van de term ‘Organismus’ tussen  1805 en 1830 drastisch afneemt. In korte tijd bezit men kwantitatieve kennis van  een grote hoeveelheid data. Deze methoden geven aanleiding tot het stellen van nieuwe onderzoeksvragen die moeilijk beantwoordbaar zijn met traditionele methoden. Zo kan de historicus van de filosofie nu op grote schaal onderzoeken, bijvoorbeeld, welke invloed Kants filosofie heeft gehad op filosofische, biologische en theologische debatten in de negentiende eeuw.
Dit alles heeft zo zijn invloed op de toekomst van de filosofie
Door het gebruik van computertechnologieën moet de filosoof samenwerken met computerwetenschappers, taalwetenschappers en andere vakwetenschappers, waardoor de  filosofie  fundamenteel zal verschillen van de huidige praktijk Met andere woorden de  grenzen tussen verschillende vakgebieden zullen verder vervagen. Tegelijkertijd zal juist de filosofie methodologische vragen stellen: leveren computertechnologieën nieuwe soorten bewijs? Maken computertechnologieën ons onderzoek objectiever? Moeten geesteswetenschappers patronen en regelmatigheden bestuderen, of zich concentreren op het individuele en specifieke? De toekomst van de filosofie zal zodoende gekenmerkt worden door het groeiend gebruik van, en filosofische reflectie op, computertechnologieën zoals ook zijn gebruik in de klasruimte gezien Filosofen worden geleerd en geacht om goed te lezen, schrijven, en te argumenteren. In welke mate helpt een computer deze vaardigheden stimuleert lijkt mij niet zo evident.Dit vergt een grondige studie en tot heden zijn daar nog geen noemenswaardige onderzoeken over gebeurd. Dit dringt ze op gezien de pc stilaan het leven van de student is gaan domineren. We moeten ons dan ook bewust worden van zijn gevolgen biologisch, sociaal en psychologisch om er filosofisch een beter inzicht of begrijpen over te krijgen.Mensen moeten en zouden voor zichzelf moeten blijven denken en het gevaar van voor zich te laten denken geldt ook met de inbreng van computertechnologie.Het berusten ligt in de aard van het 'men' en het alledaagse worden van deze ontwikkelingen zorgt voor het verdwijnen van het 'zijn' en het in stand houden ban het 'zijnde' gezien de vraag ontbreekt waardoor de vanzelfsprekendheid zijn intrede doet.
Wat de pc anderzijds wel toelaat is de filosoof in de toekomst meer  in teamverband ook kennis en vaardigheden opdoen met betrekking tot statistische analyses, programmeertalen en visualisatiemethoden. Deze vaardigheden zullen de bestaande kloof tussen capaciteiten van geesteswetenschappers en de vraag vanuit het bedrijfsleven verkleinen. Dit is een positief punt maar terug wat is het belang van het bedrijfsleven en van deze cijfers met betrekking tot een mens 'zijn'.
Tegelijkertijd blijft de filosofische en kritische reflectie op het gebruik van computertechnologieën in de wetenschap en samenleving en de klas van groot maatschappelijk belang. Ze brengen fundamentele filosofische en ethische vragen met zich mee: maakt de computer de mens beter of meer deugdzaam? Traditionele filosofische vragen naar de aard van de mens, moraal en het goede leven blijven zodoende van grote maatschappelijke waarde en hieraan gerelateerd.
Artikel dor Patrick Bailliu 

leerling VUB opleiding SLO cultuurwetenschappen.




maandag 2 september 2013

Is Big brother still watching?



Is Big brother still watching ?


Wie heden ten dage les volgt op een universiteit kijkt er niet meer van op dat er een camera staat in de aula. Het opnemen van colleges kent de laatste jaren een hele opmars. In het tijdschrift Onderwijsinnovatie stond onlangs een onderzoek van  Pierre Gorissen, Jan Van Bruggen en Wim Jochems. Zij hebben een onderzoek gevoerd bij twee Fonteys hogescholen en de Technisch universiteit Eindhoven naar de vraag of studenten effectief gebruik maken van de opnames en hoe studenten hier via tags in ondersteund kunnen worden. (Analyseren van studenteninteracties met college- opnames, Onderwijsinnovatie juni 2013, http://www.ou.nl/documents/10815/36320/OI_2013_2_Onderzoek_collegeopnames.pdf)

Voor hun onderzoek hebben ze een online enquête gestuurd naar 1122 studenten, waarvan 547 (=46.1%) effectief heeft geantwoord. Hierbij gaven de student aan dat:
·         De opnames vooral gebruikt worden voor: “de controle van hun eigen aantekeningen, bevestiging van ervaringen opgedaan tijdens het college en het nogmaals herbekijken van het materiaal voor en na het college”.
·         De kwaliteit van de geven lessen was volgens de studenten, zelfs toen dit extra gevraagd werd bij de afgenomen interviews, nooit een doorslaggevend reden om naar de opnames te kijken.
·         Het tijdstip van wanneer de opnames bekeken werd, werd vooral beïnvloed door het tijdstip van de tentamens.
·         Studenten keken het minste naar opnames die alleen het bord gebruikte.
·         Gemiddeld wordt 25% van de hele video-opname bekeken.

Vooral uit de laatste bevinding nl dat de studenten alleen fragmenten bekijken van de opnames leidde tot de vraag hoe tags hierin kunnen ondersteun. Hierdoor kan de docent (of student zelf) tags aanbrengen aan hoofdstukken waardoor navigatie makkelijker is en men gericht stukken kan herbekijken. Na aanbrengen van tags bleek dat studenten die gebruik maakte van de tags beter scoorde dan zij die dit niet deden voor hun tentamens. Als aanbeveling gaven de onderzoekers mee dat docenten studenten positief kunnen ondersteunen bij hun leerproces. Dit door het aanbrengen van trefwoorden en titels op dia’s en het taggen van opnames.

 Sinds twee jaar is de VUB ook gestart met het opnemen van lessen om deze ter beschikking te stellen aan de studenten. In het begin werd dit initiatief eerder aarzelend onthaald bij de desbetreffende professoren en assistenten. Vragen zoals zullen er nog wel studenten naar de les komen, worden we niet op deze manier te veel gecontroleerd,.. staken de kop op. Nu het systeem al een tijdje draait hoor ik vanuit het lesgevend kader veel positieve signalen. Bij navraag van de studenten (http://www.vub.ac.be/kwaliteitszorg/afstandsleren_project), blijkt net zoals als in het artikel, dat het merendeel van de studenten de opgenomen lessen gebuikt als aanvulling op hun notities of om zich voor te bereiden op de examens en naar de lessen blijft komen. Het zijn vooral de werkstudenten die het materiaal gebruiken in plaats van de “echte” les.
Dit resultaat blijkt ook uit een onderzoek van Filius waarbij: “uit evaluaties aan de Universiteit Utrecht en Universiteit Twente geeft 15 tot 20 procent van de studenten aan meerdere colleges niet te hebben gevolgd omdat deze achteraf online beschikbaar zouden zijn. De andere bleven naar de lessen komen.(R. Filius, De huiskamer als cursuslokaal, DEVELOP NR 4-2008, http://igitur-archive.library.uu.nl/ivlos/2009-0107-201037/filius%20-%20de%20huiskamer%20als.pdf)

De reden waarom de dagstudenten nog niet echt actief gebruik maken van opgenomen lessen is volgens mij voornamelijk omdat studenten niet de hele les willen bekijken, ze willen enkel specifieke informatie bekomen over een stuk leerstof dat ze niet goed begrijpen. Het aanbrengen van tags is in mijn ogen is zeker een goede zaak. Hierdoor kan men gericht informatie opsporen en kunnen de ‘digilessen’ een ondersteuning vormen bij het verwerken van een cursus. Het is wel niet zo dat de virtuele lessen in de plaats mogen komen van de echte lessen, want interactie blijft volgens een voorwaarde tot goed lesgeven. 

Tevens zie ik ook een meerwaarde in het gebruik van de opgenomen lessen bij gastdocenten. Waarbij verschillende mensen simultaan betrokken zijn. De lessen kunnen live elders worden uitgezonden zodat de “gast”  mee kan discussiëren en antwoorden op vragen. Ook bij langdurige ziekte van studenten kan het een oplossing zijn om zo geen lessen te missen.

Nadelen zie ik eerder van praktische aard. Enerzijds moet men bij het lesgeven rekening houden dat men wordt opgenomen. Hierdoor kan men minder vrij bewegen door de zaal, antwoorden uit het publiek moeten herhaald worden,…Dit kan leiden tot een verstoring van de “lesdynamiek”. Daarnaast vergt het extra werk van de docent om de opnames up te date te houden, online te zetten, tags aanbrengen,..

Toch wegen de nadelen in mijn ogen niet op tegen de voordelen en moet men nog meer investeren in een verdere uitwerking van dit project.


Interessante links mbt het artikel:
Voorbeeld opname via programma collegerama: http://www.icto.tudelft.nl/tools/collegerama/

zondag 1 september 2013

Tablets op school: de beste app is de leraar

Tablets op school: de beste app is de leraar
Volgens leraar Peter van Broeck uit het Sint-Jozefinstituut kan de inbreng van iPAD’s in het onderwijs een pedagogisch wondermiddel een serieuze verrijking betekenen. Niet alleen zorgt deze inbreng voor een modernisering binnen het onderwijs waarbij de leerstof ook via APP’s te raadplegen zijn voor alle leerlingen zowel thuis als in de klas, daarnaast volgt het onderwijs ook de trend van de technologische ontwikkeling in onze samenleving. Een iPAD sluit aan bij de leefwereld van de tegenwoordige moderne student in Vlaanderen. Waarom zou het geen goed idee zijn indien het onderwijs investeert in de technologische modernisering van het lessysteem in Vlaanderen?
Mijn bedenkingen over APP’s in de klas
Toen ik de titel las over de inbreng van Ipad’s in het onderwijs, had ik mijn twijfels of dit wel een functioneel idee kan zijn. Ik ken de iPAD namelijk enkel als een instrument waarbij je gemakkelijk op het internet kan surfen, waarbij je snel je Facebookstatus kan updaten of waarbij je urenlang plezier kan beleven aan het spelletje ‘Angry Birds’. Een moderne Game Boy waarbij je op het internet kan surfen. Toen ik het artikel volledig had gelezen, was mijn beeld over de iPAD helemaal veranderd. De motivatie die ik las van leraar Peter van Broeck en zijn ideeën, hebben mij ervan overtuigd dat de inbreng van iPAD’s wel degelijk een verrijking kan betekenen voor het huidig onderwijssysteem. Een mogelijke implementatie van iPAD’s brengen dan ook enkele voordelen met zich mee:
-          De iPAD vervangt de computerruimte met al die vervelende kabels. Een iPAD is compact, het heeft geen tientallen kabels nodig om zich functioneel te maken in de klas. Meer nog, een tablet kan je gerust meenemen naar de klas zelf, de leerlingen hoeven zich in principe niet te verplaatsen naar een computerzaal.
-          Met de actuele ecologische problemen omtrent papier kan de iPAD een mogelijke alternatief zijn voor de honderden schoolboeken die een klas gedurende het schooljaar nodig heeft. De iPAD’s vervangen hier de schoolboeken, wat impliciet wil zeggen dat een reductie van papierverspilling een postieve toon kan zijn in dit verhaal. Langs de andere kant, de negatieve toon, zou de energiekost wel de hoogte ingaan.
-          Een leerkracht met een iPAD klinkt wel ‘hip’ en ‘cool’. De modernisering van het lessysteem met iPAD’s zorgt ervoor dat niet alleen het onderwijs de hedendaagse technologietrend volgt maar ook de leerkracht zal meer uitgebreid kunnen kennis maken met technologie. Dat betekent dat de leerkracht de leefwereld van de moderne student kent en zelf weet hoe hij moet anticiperen om zijn les nog beter te kunnen actualiseren, zoals bijvoorbeeld de resultaten van toetsen bekend te maken via een APP.
Ik lijk wel gewonnen te zijn voor het van leraar Peter Van den Broeck. Een modernisering biedt de leerkracht kansen aan om op een moderne manier les te kunnen geven op maat van de moderne student. Hoewel ik niet vind dat de schoolboeken zomaar moeten verdwijnen uit de klas, toch meen ik dat iPAD’s een mooie, moderne en toekomstgerichte alternatief kunnen zijn. Wanneer dit idee volledig uitgewerkt kan worden met een draagvlak in het onderwijswereld, zie ik niet in waarom ik dit zelf later niet zou gebruiken in mijn eigen les. Met een moderne visie en een moderne aanpak kunnen iPAD’s een meerwaarde betekenen in het onderwijs.