donderdag 1 mei 2014

Researchers See Video Games as Testing, Learning Tools

Researchers See Video Games as Testing, Learning Tools

Samenvatting:

Onderzoekers aan de Universiteit van Wisconson- Madison zijn er van overtuigd dat examens er binnenkort zullen uitzien als ‘Crystals of Kaydor’, een computerspel over aliens.
In dit onderzoek werden de hersenen van kinderen gemapt terwijl ze het videospel speelden. Hierbij kon men antwoord geven op twee vragen waar veel testen rond gedaan worden wereldwijd: Of digitale spelletjes de lijn tussen instructie en assessment effectief kunnen vervagen en  of leerkrachten de sociale en emotionele vaardigheden van kinderen beter kunnen meten. Ms. Steinkuhler en neurowetenschapper Richard Davidson zouden willen aantonen dat het succesvol spelen van een video spel een duidelijk leerproces kan aantonen, zonder dat nadien nog testing nodig is. Ze hopen ook aan te tonen dat het spelen van deze videospelletjes bepaalde circuits in de hersenen kunnen versterken. Namelijk circuits die bijdragen tot de regulatie van empathie, zelfcontrole en andere ‘non-cognitieve vaardigheden’ die bijdragen aan levenslang academisch, financieel, fysiek en emotioneel welbevinden. In het videospelletje moeten de robots proberen overleven door non-verbale cues van mensachtige wezens op te merken en hierop te reageren door het vertonen van pro-sociaal en altruïstisch gedrag. Toch moet er opgemerkt worden dat videospelletjes nog heel wat obstakels moeten overwinnen eer ze gezien zullen worden als betrouwbare tools om het sociaal-emotioneel leren te meten.
Doordat videospelletjes lerenden aanzetten tot complex probleem oplossend gedrag kunnen ze machtige leerinstrumenten zijn.  Toch blijft het een uitdaging om videospelletjes uit te vinden die graag gespeeld worden door kinderen en waar het beoogde leerresultaat kan uitgehaald worden. Om het spel Crustals of Kaydor te ontwerpen, heeft het Mr Pelletier zijn team acht maanden en 300000dollar gekost. Het spel houdt een logboek bij van hoelang een kind er over doet om een probleem op te lossen en op welke manier dit gebeurt. Op deze manier kan men de resultaten bijhouden en vergelijken over langere periodes en kan men de kinderen hun leren testen in verschillende contexten.
Uit onderzoek van Mr Davidson blijkt dat bepaalde zones in de hersenen die non cognitieve skills reguleren kunnen versterkt worden door training en ervaring en specifiek door het spelen van videospelletjes. De ontwikkeling van deze zones is zeer belangrijk daar uit onderzoek blijkt dat personen met lage zelfcontrole in hun latere leven minder geld verdienen, een slechtere gezondheid hebben, meer drugs gebruiken en vaker verwikkeld zijn in misdaden dan andere peers. De circuits van empathie en van aandacht in de hersenen kunnen versterkt worden door oefening en de kunst om dit leuk te maken is door het in een videospel te integreren.
Vooraleer deze spelletjes in gebruik worden genomen zijn er nog een paar vragen die onderzocht moeten worden. ‘Is het passend om deze skills te meten bij kinderen? Wie moet de metingen uitvoeren? En hoe kunnen deze skills het succes van kinderen bepalen?’ Ook zijn er psychometrische vragen. ‘Zal een kind dat empathisch reageert op het videospel dit ook doen op mensen in het echte leven?’ Als men denkt aan de positieve gevolgen dat het zou kunnen hebben, zoals het versterken van bepaalde hersencircuits, is het de plicht van de maatschappij om het leren via videospelletjes een kans te geven.

Reflectie:

Zelf had ik nooit stilgestaan bij het idee om videospelletjes te gebruiken als testinstrument in de klas. Er is namelijk een grote controverse over het spelen van videospelletjes en de invloed hiervan op kinderen en jongeren. Het lezen van dit artikel deed me nadenken over een eventueel andere functie hiervan. Naast het amusement kunnen videospelletjes ook gebruikt worden om effectief iets nuttig bij te leren. Het onderzoek dat gebeurde voorgaande aan dit artikel lijkt me nuttig en interessant en ik denk dat er zeer zeker positieve dingen uit te halen vallen. Vooral het feit dat dit een middel is om leren op een aangename manier te laten gebeuren. Toch stel ik me zelf enige kritische vragen hierbij. Van uit het standpunt van de studenten. Wat vinden de kinderen zelf van deze manier van leren? Wat steken ze hier werkelijk uit op? En blijft het leren hen op deze manier beter of langer bij? Worden deze spelletjes niet teveel geassocieerd met ontspanning en gaat er dan wel genoeg aandacht naar wat moet geleerd worden?  Vanuit het standpunt van de school. Wat is de kostprijs hiervan? Hoe zijn ze zeker dat dit het gewenste resultaat oplevert? Gaat de school hier geen negatieve commentaar op krijgen? Is deze investering zijn geld wel waard? Dit spelletje test namelijk de non cognitieve skills zoals sociaal- emotioneel en empathisch vermogen, maar andere vaardigheden kan je hiermee niet testen. Dit zijn ook meestal niet de vaardigheden waar op school het meest wordt aan gewerkt. Dit zijn geen specifieke vaardigheden die vermeld staan in het leerplan, dus vrees ik dat niet veel scholen bereid gaan zijn zowel te investeren in deze technologie. Toch denk ik wel dat het een interessant idee is, dat eventueel na verder onderzoek verder zou kunnen uitgebreid worden tot een meer bruikbare tool. Een andere vraag die ik me ook stel is of het enkel deze vaardigheden zijn die succes gaan voorspellen. Men legt hier zwaar de nadruk op in dit artikel maar uiteraard zullen er ook wel mensen zijn die succes hebben bereikt in hun leven en niet beschikken over deze vaardigheden. Men spreekt in het artikel ook over het testen in verschillende contexten. Zijn deze contexten wel vergelijkbaar met het echte leven? Net zoals in het artikel stel ik me ook de vraag of deze vaardigheden in het echte leven zullen voorkomen zoals weerspiegeld in het videospel? Zullen studenten die daar empathisch reageren dit in het echte leven ook doen? Naast al deze vragen blijf ik het wel interessant vinden om deze manier van testen verder te onderzoeken. Het feit dat kinderen zich engageren voor een test zonder dit eigenlijk erg te beseffen zal misschien ook invloed hebben op hun resultaten en biedt zeker een piste voor verder onderzoek.

Bron:

http://www.edweek.org/ew/articles/2013/08/07/37games_ep.h32.html

Verkeersregels leren a.d.h.v. een game

City Jam: location based game rond verkeersveiligheid!

Samenvatting

Uit verschillende rapporten blijkt dat bij jongeren tussen 16 en 24 jaar het verkeer de grootste doodsoorzaak blijft en dat 24% van de gewonden en 19% van de verkeersdoden uit deze leeftijdsgroep komt.
JIM zette daarom een grootschalige sensibiliseringsactie rond verkeersveiligheid op. Dit aan de hand van een location based game: City Jam. Het spel, bedoeld voor scholen, is gericht naar jongeren tussen 15 en 18 jaar en heeft twee functies: entertainment maar ook kennisverwerving en bewustmaking. Het hoofddoel van het spel is leerlingen te laten nadenken over verschillende verkeerssituaties en zo goed gedrag van de jongeren in het verkeer uit te lokken. 

Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken Hilde Crevits:
"Een veiliger verkeer is een van de prioriteiten in het Vlaamse mobiliteitsbeleid. Educatie en sensibilisering vormen een essentiële pijler voor een succesvol verkeersveiligheidsbeleid. Willen we positieve resultaten blijven boeken, moeten we op maat van specifieke doelgroepen gericht sensibiliseren. jongeren in het secundair onderwijs vormen een prioritaire doelgroep. Via het project Slimme Mobiele Scholen (SMS) kunnen secundaire scholen een subsidie krijgen voor de aankoop van educatief materiaal en voor de organisatie van verkeers- en mobiliteitsinitiatieven op school, zoals ook voor City Jam."

Het spel
City Jam wordt in groepen van twee à vier spelers gespeeld en deze groepen nemen het anderhalf uur tegen elkaar op met tablets met GPS-integratie. Om het spel zo uitdagend en aantrekkelijk mogelijk te maken, hebben de makers gekozen voor het thema 'Muziekband op Tournee" waarin de leerlingen trachten de populairste band van de stad te worden. De leerlingen zullen op een parcours in een verkeersarme stad (Antwerpen, Brugge, Gent, Hasselt of Leuven) verschillende opdrachten en taken moeten uitvoeren (verzamel bijvoorbeeld alle nodige instrumenten) alsook verschillende beslissingen moeten nemen (wat drink ik bijvoorbeeld op café) die gelinkt zijn met het thema en verkeersveiligheid. 

Fragment actiebeelden City Jam


Fragment uit VTM nieuws

Reflectie

Een zeer interessant opzet van JIM! Sensibilisering rond verkeersveiligheid is van groot belang en zeker bij de doelgroep 16 tot 24 jaar. Net daarom vind ik de campagne, City Jam, van JIM zo'n goed idee. Deze campagne richt zich op de 15 tot 18 jarigen en sensibiliseert zo de jongeren voordat ze hun rijbewijs halen. De jongeren zijn zich daardoor al bewust van de gevaren van het verkeer. 
Sensibiliseren is niet gemakkelijk en wordt meestal door posters, flyers, filmpjes gedaan. Deze missen volgens mij hun effect doordat jongeren hier weinig aandacht aan besteden. Door een ludiek spel te spelen met actieve deelname kunnen de leerlingen in het verkeer zelf leren hoe zich te gedragen in verschillende situaties. "Al doende leert men" is het spreekwoord en is hier zeker van toepassing. 
Het thema van het spel ligt dicht bij de leefwereld van de leerlingen wat het voor hen aantrekkelijk maakt nieuwe dingen te leren. Een nadeel is wel dat deze activiteit naschools moet gebeuren of er moeten enkele lessen (minstens een halve dag met verplaatsing meegerekend) aan besteed worden. Ook zullen de scholen die niet zo dicht bij het centrum, van de steden waarin het spel kan gespeeld worden, gelegen zijn, nog meer tijd moeten uitrekken. 
Ikzelf heb het spel nog niet gespeeld, maar ik hoop dat er een evenwicht gevonden is tussen het spel in functie van het thema (muziekband populair maken) en het sensibiliseren rond verkeersveiligheid. Hiermee wil ik zeggen dat het thema niet de bovenhand mag nemen zodat de eigenlijke boodschap, verkeersveiligheid, niet verdwijnt. 
Nog een positieve noot: de leerlingen zijn door het spel niet alleen aan het leren hoe zich te gedragen in het verkeer, maar ze zijn ook anderhalf uur actief in beweging. Een spel dat dus ook goed is voor de gezondheid!


Bronnen

Actiebeelden City Jam (2014). Opgeroepen 30 april, van https://www.youtube.com/watch?v=Qydwwf3QZzU

Medialaan: City Jam (2014). Opgeroepen op 30 april, van http://medialaan.net/jim-lanceert-city-jam-een-unieke-verkeersveiligheidsgame

Persbrocure City Jam (2014). Opgeroepen 30 april, van http://issuu.com/vmma/docs/persbrochure_cityjam_web

Tieners leren regels verkeer met game (2014). Opgeroepen op 29 april, van http://www.hln.be/hln/nl/922/Nieuws/article/detail/1868690/2014/04/29/Tieners-leren-regels-verkeer-met-game.dhtml

Tocomail: Veilig (leren) communiceren op klasniveau?

Samenvatting:

Sinds 2014 bestaat er een nieuw programma, dat leerlingen toelaat veiliger met elkaar te communiceren. Tocomail, voorziet een gesloten netwerk, waarbinnen leerlingen met elkaar in contact staan, terwijl leerkrachten en/of ouders een oogje in het zeil kunnen houden.

Leerkrachten krijgen via deze applicatie het recht om de contactlijsten samen te stellen, zodat leerlingen enkel e-mails kunnen uitwisselen met klas- of schoolgenoten bijvoorbeeld.

Via Tocomail, kunnen leerlingen bepaalde zaken bijleren over het “digitale burgerschap”. Leerkrachten kunnen ingrijpen wanneer ze merken dat bepaalde grenzen overschreden worden of wanneer bepaalde zaken onveilig worden. Het is een handig platform om leerlingen hun taalvaardigheden bij te schaven. Leerlingen leren e-mails allerhande op te stellen. Bijvoorbeeld klachtenbrieven, persoonlijke brieven, sollicitatiebrieven enzovoort. Tocomail kan ook gewoon gebruikt worden om medeleerlingen van feedback te voorzien, ideeën uit te wisselen of om samen te werken aan bepaalde projecten. [1]



Meer informatie kan altijd gevonden worden op de website: https://tocomail.com [2]

Reflectie:

Gezien de vele gevaren en bedreigingen die jonge mensen bedreigen in de digitale wereld is extra waakzaamheid zeker geen overbodige luxe. Deze applicatie kan ervoor zorgen dat kinderen minder blootgesteld en beter beschermd worden tegen dreigende gevaren op het wereldwijde web. [3]

Hoewel de applicatie oorspronkelijk ontwikkeld werd om ouders te helpen bij het creëren van een veiligere omgeving voor hun kinderen, wordt Tocomail ook gebruikt in het onderwijs. Ook leerkrachten kunnen een gesloten netwerk aanmaken, waardoor ze de communicatie tussen de leerlingen nauwlettend kunnen opvolgen. Het is eventueel ook mogelijk om ouders zo nauwer te betrekken bij het schoolwerk van hun kinderen.

Leerkrachten kunnen bepaalde opdrachten van dichtbij opvolgen. Alles wat de leerlingen communiceren, bijdragen enzovoort kan worden opgevolgd. Dit lijkt mij een groot voordeel te zijn, gezien leerlingen zo wel verplicht worden om aan bepaalde opdrachten mee te werken. Als leerkracht is het zo ook makkelijk om bepaalde leerlingen bij te sturen. Ook de opdrachten zelf kunnen in de gaten gehouden worden. Indien het dreigt fout te lopen of de leerlingen snappen de taak niet goed, ingrijpen is altijd mogelijk. Leerkrachten hoeven zo niet te wachten tot wanneer de taak ingediend wordt. Communicatie die buiten dit programma plaatsvindt kan echter niet gecontroleerd worden, maar het kan bijvoorbeeld medegedeeld worden aan de leerlingen dat de evaluatie enkel en alleen zal gebeuren op basis van de via Tocomail zichtbare communicatie.

Leerlingen worden zo ook ietwat gedwongen om hun communicatie te verzorgen. Via andere wegen wordt vaak weinig aandacht besteed aan de vorm en inhoud van taal en gesprekken.

Erg interessant is ook de onlangs ingebouwde “pestdetector”. Sinds begin 2014 worden via het programma bepaalde woorden of contexten herkend en vervolgens gefilterd of in quarantaine geplaatst. Dit kan voor bepaalde leerlingen een positieve invloed hebben, gezien pesten in deze omgeving praktisch uitgesloten wordt. Zo kunnen leerlingen waarop pesten een erg negatieve invloed heeft zich ook in een veilige omgeving wanen, wat een positief effect op hun resultaten kan hebben. In een groter geheel, kan dit leiden tot een positiever klasklimaat. [4]


Echt nadelen kan ik niet bedenken en bij deze toepassing. Het is en blijft echter naïef om te denken dat kinderen geen alternatief kunnen vinden om met andere personen te communiceren via het web. Dat kinderen eventueel wel uitgesloten kunnen worden voor het gebruik van deze toepassing zou wel als een minpunt aanzien kunnen worden. Hoewel het erg toegankelijk is voor zowel gebruikers van Windows (I)OSX, Android enzovoort, is en blijft een computer, tablet, smartphone of een internetverbinding nodig om deze toepassing te kunnen gebruiken.

Referenties:

"Vlaams onderwijst duwt sociale media in het verdomhoekje"

In de brochure ‘Sociale media op school’, buigt het Nederlandse Kennisnet zich over de vraag ‘ Hoe dragen sociale media bij tot het leren van jongeren tussen de 10 en de 18 jaar?’. In de inleiding hekelt Kennisnet de koudwatervrees van scholen ten opzichte van het gebruik van ICT en nieuwe media. Dankzij het heldere rapport van de in deze blog al eerder aangehaalde monitor voor ICT-integratie in het Vlaamse Onderwijs, weten we dat er ook in België nog heel wat werk aan de winkel is. Daarom breken wij in dit blogbericht graag een lans voor een gestructureerde integratie van ICT en sociale media in het secundair onderwijs.

Waarom willen we meer technologie en nieuwe media op school?

De bewijzen van de positieve effecten van het gebruik van ICT in de klas spreken voor zich. Moderne technologieën maken het mogelijk om onderwijs beter af te stemmen op de leefwereld en leerstijl van de leerlingen. Audiovisuele ondersteuning zorgt ervoor dat zelfs de moeilijkste inhouden op een boeiende en heldere manier belicht worden. Ook de mogelijkheden voor geïndividualiseerd en gedifferentieerd lesgeven zijn enkel toegenomen dankzij de introductie van technologie in het onderwijs. Leerlingen kunnen voortaan zelf hun leerproces in handen nemen, waarbij ze hun leerefficiëntie kunnen verhogen. Het leren wordt op die manier dus niet enkel gemakkelijker, maar ook flexibeler.

Soortgelijke voordelen duiken op wanneer we concreet op zoek gaan naar de mogelijke waarde van sociale media in de klaspraktijk. Zowel het Kennisnet-rapport als het rapport van de monitor voor ICT-integratie in het Vlaams onderwijs, onderstrepen dat er momenteel een opvallende discrepantie is tussen de attitudes en het thuisgebruik door leerlingen versus het gebruik in de klas. Daar waar leerlingen thuis aan het scherm gekluisterd liggen bij het spelen van computergames, zijn digitale games in het onderwijs nagenoeg afwezig. Thans zijn dit erg krachtige leeromgevingen die in tal van beroepsopleidingen hun sterktes al ruimschoots bewezen hebben.

Hetzelfde geldt voor het gebruik van sociale media. Deze zijn zo ingeburgerd in het leven van jongeren dat zij zich met moeite een leven zónder kunnen inbeelden. Het marginale gebruik van sociale media in het onderwijs is volgens het Kennisnet-rapport dan ook een gemiste kans. “Volgens driekwart van de leerlingen uit het onderzoek zijn sociale media namelijk leuk, grappig, tof en cool. En leerzaam. Ze zijn populair, maken de lessen interessanter, minder saai, afwisselend en interactief.”

Het lijstje met voordelen van de integratie van ICT en nieuwe media in de dagelijkse lespraktijk is tamelijk overtuigend. Dat brengt ons bij de volgende vraag:

Waarom worden ICT en nieuwe media zo weinig gebruikt in de klas?

Uit het rapport van de monitor voor ICT-integratie in het Vlaamse onderwijs blijkt dat Vlaamse scholen de afgelopen vijf jaar een positieve evolutie gemaakt hebben op het vlak van hardwarevoorzieningen. Een gemiddelde Vlaamse secundaire school heeft één computer, laptop of tablet per twee leerlingen in het gewone onderwijs en één per drie leerlingen in het buitengewoon onderwijs. Belangrijk hier is wel om op te merken dat het om sterk verouderd materiaal gaat. Toch is het materiaal aanwezig en kunnen we de oorzaak voor het marginale ICT-gebruik niet hier op steken.

Wat is de oorzaak dan wel? Zowel het Kennisnet-rapport als dat van de monitor voor ICT-integratie in Vlaams onderwijs schuift de schuld in de schoenen van het schoolbeleid en de leraren zelf. Beide partijen erkennen de noodzaak aan een betere integratie van ICT en nieuwe media in het onderwijs. Maar door beperkte nascholingsmogelijkheden zijn de leraren zelf onvoldoende geprofessionaliseerd om de meerwaarde van ICT volop te benutten voor het ondersteunen van lesinhoud. Ook stellen ze zich eerder wantrouwig op tegenover het gebruik van sociale media en games tijdens de lessen. Dit is een spijtige zaak en bovenal een gemiste kans.

Eigen reflecties

Eerst en vooral wil ik onderstrepen dat ik de vooruitgang van de afgelopen vijf jaar volop aanmoedig. Het is duidelijk dat er zowel op beleidsniveau als op het niveau van de afzonderlijke scholen wordt nagedacht over ICT. Stap één is op die manier alvast gezet. Toch hebben we met z’n allen nog een lange weg te gaan.

Wat me het meest stoort is de conservatieve houding tegenover sociale media en de welhaast obsessieve drang om dit uit de klas te bannen. Ik ben er absoluut van overtuigd dat dit een strijd is die men als leraar gedoemd is om te verliezen. In plaats daarvan zou ik als directeur of als leraar net proberen om mijn leerlingen door middel van deze verschillende sociale media meer te betrekken in mijn lespraktijken. In het Kennisnet-rapport staan tal van toffe toepassingen voor sociale media in de dagelijkse lespraktijken. Ook elders op het internet is er een schat aan informatie te vinden over hoe sociale media een meerwaarde kunnen bieden. Ik vind dat je als leraar niet anders kunt dan je lespraktijken afstemmen op de leefwereld van de leerlingen. Sociale media lenen zich hier optimaal toe en er is in mijn ogen dan ook geen enkele reden om sociale media naar het verdomhoekje te verbannen. Dat zou gewoon doodzonde zijn. 

Bronnen

KABINET VLAAMS MINISTER VAN ONDERWIJS, JEUGD, GELIJKE KANSEN EN BRUSSEL. ‘ICT op school: vooruitgang, maar nog een lange weg te gaan.’ Persbericht, november 2013.


MIJN KIND ONLINE. Sociale media op school: hoe veranderen sociale media en smartphones het onderwijs?’. Juli, 2013
http://www.kennisnet.nl/fileadmin/contentelementen/kennisnet/Dossier_mediawijsheid/Publicaties/handboek-sociale-media-op-school.pdf

MAHMUTAGLU (H.), SARI (A.). Potential issues and impacts of ICT applications through learning process in higher education. In: Procedia – Social & behavioral sciences. Nr. 89, 2013, p. 589- 592

Monitor voor ICT-integratie in het Vlaamse onderwijs. Beleidssamenvatting, november 2013
http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/projecten/2011/11.02/BeleidssamenvattingMICTIVO2.pdf

LEEMANS (L.). ‘Ik ben al blij dat ik met en digibord kan werken.’, In: Klasse, december 2013, p. 2-9
http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2013/doc/11-29-Klasse-ICT.PDF

Niet meer bang van ICT

In de editie van Klasse van afgelopen maand (nr. 244 - april 2014) stond een uitgebreid artikel genaamd "Leren in 2030". Naast de evolutie van scholen, leerkrachten en leerlingen, hield men ook een kort betoog over hoe informatica er in de toekomst uit zou kunnen zien.

Samenvatting
De blok tekst bestond uit twee sprekers (Bram Bruggeman en Dirk De Boe) die zelf hun ideeën gaven op hoe zij de toekomst zagen.
Meneer Buggeman is er van overtuigd dat de leraar van morgen geen enkel probleem meer zal hebben met ICT. Het zal deel geworden zijn van het maken van lessen en het geven (of krijgen) ervan. Hij ziet het als de ideale manier om leerlingen te ondersteunen qua kennisverwerving, het oefenen van onderzoeksvaardigheden en "attitudes rond mediawijsheid aan te scherpen". Verder gaan leerkrachten met behulp van ICT beter en effectiever aan differentiatie kunnen doen waardoor digitale leeromgevingen efficiënter gebruikt zullen kunnen worden en geen websites meer zijn om (bijvoorbeeld) oefeningen te downloaden zonder verdere betekenis of cohesie.
Meneer De Boe laat doorschijnen dat die toekomst zelfs niet meer zo veraf is. Scholen die nog niet zo ver staan moeten gewoon nog even bijbenen. Leerkrachten zullen meer gebruik beginnen maken van cloud media en hun lessen beginnen "sharen". Leerlingen zouden online zijn tijdens de lessen en de algemene communicatie zal verlopen via sociale media allerhande. Hij ziet dit alles als noodzaken omdat we allemaal dienen mee te gaan met onze tijd. Hij beëindigt zijn betoog met de woorden: "Maar in 2030 wordt je buitengezet als je niet meer mee bent. Niet door de directeur. Maar door je leerlingen."

Reflectie
Na het lezen van deze getuigenissen had ik toch een gemengd gevoel bij de hier geschetste toekomst.
In het beeld van meneer Buggeman kan ik me wel vinden. Hoewel het evenzeer een aanpassing én inspanning zou zijn om echt alles online te beginnen doen, is het zeker geen onhaalbaar einddoel. Meneer De Boe is naar mijn mening dan weer net iets te utopisch, en durf ik zeggen misschien zelfs onrealistisch (?), aan het denken.
Ten eerste stel ik mij vragen bij het (exclusief) communiceren via sociale media. Ik vrees hier voor een vervaging tussen de werk- en de thuissfeer. Afgezien van persoonlijk contact ben ik enkel geneigd via mail te communiceren in plaats van via facebook/twitter/skype mensen lastig te vallen met schoolwerk (of omgekeerd). Vervolgens heb ik moeite met me in te beelden dat leerlingen voor alles online dienen te zijn in een les. Interactieve lesvormen zijn uiteraard fijn en hebben zeker hun nut! Maar wat zou er binnen 16 jaar mis zijn met eens gewoon simpel doceren, luisteren en nota's nemen? Ten slotte steekt het me een beetje tegen dat leerlingen zogezegd te zeggen gaan hebben hoe wij onze job zouden moeten doen. Nieuwe ideeën en feedback zijn zeker nuttig en welkom. Maar om te zeggen dat de leerlingen iets in de pap te brokken hebben wat onze job betreft, is voor mij alvast een brug te ver.
Persoonlijk ben ik nooit bang geweest ICT te gebruiken in een les of voor een lesvoorbereiding, maar als ICT zo een grote invloed gaat hebben op mijn carrière als leerkracht begin ik het toch wel benauwd te krijgen.

Bron:
Artikel uit Klasse (nr. 244), april 2014, p. 32-37.

Tablets in de klas: opinietekst (school of education, assiociatie K.U. Leuven)

Deze tekst is een opiniestuk van de school of education binnen de associatie K.U. Leuven.

Het artikel behandelt de relevantie van mobiele technologie binnen een onderwijscontext.
introduceren van mobiele technologie allerhande, zoals tablets, smartphones, laptops en dergelijke meer, is geen sinecure vanwege de uiteenlopende toepassing van de verschillende media. Hoewel een tablet de meest praktische investering is wat betreft handelbaarheid, is het lang niet aangeraden geweest, omdat het typen toch een struikelblok bleek. Externe toetsenborden en performantere apparaten verkleinen nu wel de kloof tussen laptop en tablet. een smartphone is een dure investering met een te klein scherm en lijkt daarom afgeschreven.

Een belangrijke voorwaarde voor de invoering van mobiele toestellen in het onderwijs is vertrekken vanuit een duidelijke visie op het onderwijs, niet vanuit de technologie. Er moet kritisch gereflecteerd worden over het gebruik en de pedagogische relevantie van het middel, pas daarna kan nagedacht worden over welk concreet toestel.

Ook mag niet vergeten worden dat de technologie in het onderwijs slechts een hulpmiddel moet blijven. De vraag of het dan wel zo relevant is laat zich stellen. er moet steeds vanuit gegaan worden dat de leerkracht nog steeds centraal staat. de lessen en de werking van de technologische hulpmiddelen staan en vallen met de implementatie van de leerkracht. Er wordt ook gehamerd op het feit dat een degelijke vooropleiding en een blijvende didactische en technische ondersteuning primordiaal is voor een goede werking van een systeem dat geflankeerd wordt door technische hulpmiddelen.

Besluit

De toegevoegde waarde van technologie in het onderwijs is grotendeels afhankelijk van de visie
op het onderwijs. Een ding is zeker; technologie is er en zal er blijven. Het zal dus zeker meer en meer aan belang winnen. De vraag is hoe we daar als maatschappij mee omgaan.

Het opiniestuk geeft ook enkele algemene aanbevelingen mee betreffende het gebruik van mobiele technologie binnen een onderwijscontext.

Persoonlijk vind ik  het een bijzonder interessant artikel, omdat het doet nadenken over de motivatie voor het gebruik van media in de klas. ze maken duidelijk dat de technologie niet centraal mag staan en dat het zeker geen plaatsvervanger mag zijn voor degelijk onderwijs waar de leerkracht nog steeds de belangrijkste factor is. Het is een hulpmiddel en zo moet het ook gezien worden.

De meningen over het gebruik van technologie in de klas zullen ongetwijfeld verdeeld zijn, maar een ding is zeker: het kan de klas naar de buitenwereld brengen en de buitenwereld naar de klas.
Ik ben voor het gebruik van mobiele technologie in de klas, mits een gecontroleerd gebruik binnen een gecontroleerde omgeving.

referenties

Het opiniestuk bevat onderaan de gebruikte referenties. 

Persoonlijk computeronderwijs voor leerling en docent

Samenvatting

In Nederland komt er technologie waarmee docenten individueel veel beter kunnen begeleiden. De technologie komt van het Amerikaanse bedrijf Knewton (Adaptive learning). De bedoeling is om leerlingen een leerprogramma te bieden dat hun resultaten direct analyseert. Ze krijgen een opdracht op hun niveau wanneer ze deze correct oplossen krijgen ze punten. Volgens Rimmelzwaan werkt deze vorm van gamification motiverend.

Het programma kan aan de hand van antwoorden zien waar de knelpunten liggen in de leerstof en kan vervolgens nieuwe specifieke opdrachten opstellen voor de studenten. Wanneer leerlingen geen problemen hebben met leerstof kunnen ze doorschuiven naar uitdagendere opdrachten. Op dit moment verliezen veel leerkrachten tijd door het bestuderen van de resultaten van de leerlingen waardoor ze minder individueel kunnen begeleiden. Door deze technologie krijgen leerkrachten alle resultaten te zien inclusief de kant en klare analyse van elke leerling. De docent houdt ook nog altijd controle doordat hij zelf kan bepalen wat de leerlingen wel of niet doen als hij het niet eens met het advies van het programma kan hij nog altijd ingrijpen. 

Ook sluit het programma zich goed aan bij de belevingswereld van de leerlingen. Zo heeft de tecnologie kenmerken van facebook en webshops zoals Amazon

Reflectie

Als ik het artikels lees stel ik mij de vraag of de leerlingen hier eigenlijk een voordeel aan doen? Ik denk dat het vooral een voordeel is voor de leerkrachten aangezien zij minder werk zouden hebben. Daarom ben ik gaan kijken in de literatuur of adaptive learning effectief wel zo goed als ze zeggen voor studenten. 

Een belangrijk principe van adaptive learning is dat de instructies overeenkomen met het kader van de belangen van de studenten. Onderzoek toont dat adaptive learning effectief is wanneer de  instructies overeenkomen met de belangen van de studenten en dit kan dan een effect hebben op het doorzettingsvermogen, betrokkenheid en aandacht (Walkington, 2013). In het onderzoek van Anagnostopoulos et al., (2010) vond men dat er een goede begeleiding nodig is bij adaptief leren omdat de studenten anders te makkelijke of te moeilijk leerstof krijgen, waardoor ze of wel verveeld of ontmoedigd geraken. Als je leerkrachten hebt die niet gaan kijken of het advies dat het programma geeft wel een degelijk een goed advies is dan zal dit op latere basis nefast zijn voor de leerlingen, want zij kunnen opdrachten krijgen die boven of onder hun niveau liggen ook al zegt het programma dat niet. In het onderzoek van Walkington, (2013) werd aangetoond dat persoonlijke oefeningen een positief effect hebben op de prestatie van leerlingen.

Adaptive learning heeft zowel zijn positieve effecten (De school moet mee volgen met de digitalisering, Het sluit aan bij de interesse van de leerlingen waardoor motivatie stijgt, men maakt gebruik van differentiatie, en minder tijdrovend voor leerkracht) als negatieve effecten (Er moet nog meer onderzoek naar gedaan worden en men kan niet 100% vertrouwen of de leerkrachten het goed opvolgen)


Referenties

http://www.rtlnieuws.nl/economie/toekomstmakers/persoonlijk-computeronderwijs-voor-leerling-en-docent

Walkington, CA. (2013). Using Adaptive Learning Technologies to Personalize Instruction to Student Interests: The Impact of Relevant Contexts on Performance and
Learning Outcomes. Journal of Educational Psychology, 105, 932-945



  1. Anagnostopoulosan, I.,
  2. Bielikova, M. (2010).
  3. Adaptive technologies and methods in e/m-Learning and Internet-based education. Journal of Computer Assisted Learning, 26, 225-226





Een explosie van mogelijkheden voor het onderwijs


Wie zich verdiept in de technologische ontwikkelingen en de invloed ervan op onderwijs, zal snel tot de conclusie komen dat er ware een explosie plaats vindt die het onderwijslandschap voor altijd verandert. Een evolutie die net zo belangrijk is als de technologische ontwikkeling van de boekdrukkunst in de 15de eeuw. Het Trendrapport 2014-2015, technologiekompas voor het onderwijs uitgebracht door Kennisnet (net zoals het andere Trendrapport besproken op dit blog ook een Nederlands initiatief), brengt de belangrijkste trends voor de komende vijf jaar in kaart. Wat zijn deze trends en hoe zullen ze het onderwijslandschap veranderen?

Samenvatting
Het rapport beoogd scholen te helpen bij het denkproces over het uit te zetten een beleid op het gebied van onderwijstechnologie. Het geeft aan wat een trends van hypes onderscheid (langdurig versus kortstondig) en identificeert 4 belangrijke trends. Middels een SWOT-analyse zet Kennisnet de zwaktes en de sterktes, de kansen en de bedreigingen van deze trends op een rij.

Geruststellend is, dat het rapport begint met te stellen dat de kerntaken van het onderwijs hetzelfde zullen blijven. Kennis overdragen, vaardigheden aanleren, onderzoekcompetenties bijbrengen, burgers opvoeden en talent ontwikkelen. Dat blijft als leraar onze taak. Maar de uitdaging in het nieuwe landschap ligt enerzijds in het toepassen van de bestaande technologie in het onderwijs en anderzijds in de leerlingen mee laten groeien in deze technologische evolutie. Voor de eerste uitdaging dient de leraar te jongleren met de nieuwe technologie tools die voorhanden zijn om het leerproces te versterken. De tweede uitdaging is de leerlingen niet alleen mediawijsheid, maar ook de ‘21e-eeuwse vaardigheden’ en technologiewijsheid bij te brengen. Vaardigheden die burgers en werknemers verwacht worden te hebben in de huidige ‘informatiemaatschappij en daarbinnen de kenniseconomie’.
Het is een hele klus om als aankomend leraar wegwijs te worden op dit voor vele nieuwe terrein, daarom ben ik blij met dat dit rapport de grote trends, met bijbehorende sterktes, zwaktes, kansen en bedreigingen analyseert.

De vier besproken trends:
1.     ICT-fundament. Een eerste trend is om voor goede basisvoorzieningen zorgen die het mogelijk maken ICT-toepassingen in dienst van het leerproces in te zetten. Twee onderwerpen: cloudcomputing, het geheel aan toepassingen die via het internet gebruikt kunnen worden en persoonlijke devices verbonden met het internet.
2.     Datagedreven onderwijs met drie samenhangende componenten;
a. learning analytics: de computer verzamelt en analyseert de resultaten van de leerlingen of groep en presenteert ze vervolgens overzichtelijk;
b. adaptief digitaal leermateriaal: de computer maakt bij goede antwoorden oefeningen moeilijker, bij herhaaldelijk foutieve antwoorden, wordt het niveau aangepast; en
c. de persoonlijke leeromgeving. Deze omgeving biedt de leerling alles wat deze nodig heeft om te leren, een pakket is deels samengesteld door de leraar, deels door de leerling zelf, oa. het portfolio en MOOCs (denk ook aan SmartSchool).
3.     Do it yourself (DIY)-technologie: dit is hetgeen wij (IDLO-studenten) nu doen met een onderwijstool te ontwikkelen. Creativiteit inzetten voor het ontwikkelen van een tool en gaandeweg, het terrein verkennen. Leerlingen verwerven inzicht in de technologie door het zelf bijvoorbeeld simpele robotjes te bouwen of een applicatie te programmeren;
4.     Slimme sensoren met de twee nieuwste subtrends ‘qualified self’ en ‘smart-building technologies’. ‘Qualified self’ sensoren meten gedrag, prestaties en lichaamsfuncties (bv. de stappenteller) om het leerproces te optimaliseren. ‘Smart-building technologies’ zijn sensoren die in het schoolgebouw geïnstalleerd worden en zorgen voor een optimale leeromgeving (wat de verwarmingsthermostaat doet met temperatuur, maar dan ook voor bijvoorbeeld het zuurstof gehalte in de klas).

Het rapport biedt bij elk onderwerp relevante links naar achtergrond literatuur en relevante voorbeelden. Hierdoor is het wat het rapport belooft te zijn, een kompas.

Reflecties
Betreft onderwijs
De twee eerste trends zijn evident. De zorg voor goede ICT-faciliteiten op scholen en bestaande mogelijkheden om data te verzamelen op een geïntegreerde manier toepassen in het onderwijs.

De echte eyeopener voor mij is de ‘Do It Yourself-technologie’. We worden tegenwoordig omringt door technologie en als we niet beter wisten, zouden we de indruk krijgen dat apparaten werken op eigen kracht. Om de afstand tot technologie te verkleinen is het goed inzicht te verwerven in de werking ervan. We hoeven daarbij niet zover te gaan als de kunstenaar Thomas Thwaits die ‘from scratch’ een broodrooster maakt, maar wel een inzicht krijgen hoe apparaten werken. Door de ‘Do-It-Yourself’ technologie kunnen leerlingen zelf ondervinden dat alles wat een computer of sensor ogenschijnlijk zelf doet, door mensen geprogrammeerd is. En bovendien hoe foutgevoelig deze technologie is. Sterker nog doordat ze zelf leren programmeren en eenvoudige robotjes leren vervaardigen, zullen ze behalve begrip van de apparaten ook meer grip krijgen op de apparatuur. Bijvoorbeeld in staat zijn een apparaat te repareren. Deze DIY-trend vind ik baanbrekend en blik verruimend.
In dit artikel las ik dat in het Verenigd Koninkrijk alle leerlingen vanaf september 2014 zowel in het basis- als middelbaaronderwijs, een apart vak programmeren, computing genaamd, krijgen. Leraren, die lang niet allemaal voldoende kennis hebben om dit vak te geven, zullen ondersteund worden door diverse organisaties, zoals Computing at School. In Finland wordt aan een nieuw curriculum gewerkt waarbij programmeren in andere vakken zal worden geïntegreerd. Dit lijken me uitstekende initiatieven, die als voorbeeld kunnen dienen om de Vlaamse ICT-eindtermen uit te breiden. Maar wij als leraren hoeven niet te wachten op nieuwe eindtermen op het gebied van ICT. Binnen de bestaande eindtermen kunnen we in onze eigen les aan de slag om de Vlaamse leerlingen op school de ‘21e-eeuw vaardigheden’ en technologiewijsheid bijbrengen. En bij gebrek aan achtergrond kennis trachten we met een organisatie die deze kennis wel heeft, samen te werken.

Wat de ontwikkelingen met slimme sensoren betreft ben ik terughoudender. Vooral de ‘qualified self’ roept bij mij vragen op. Wat gaan we meten, met welk doel en hoe zit het met de privacy?
Snelle feedback om doelen te behalen kan zeer motiverend zijn, maar alles meten kan ook leiden tot alles willen controleren. Ik ben bang dat vooral adolescenten hiervoor gevoelig zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan eetstoornissen die in deze leeftijdsgroep vaak voorkomen. Werk je zulk controlegedrag niet in de hand met het in kaart brengen van dergelijke gegevens? En dan is er ook nog de competitie binnen de groep. In Nederlands Limburgs werd een grootschalig onderzoek gedaan onder scholieren naar de hoeveelheid beweging  en een eventuele correlatie bestaat met leerprestaties. Het resultaat kan leiden tot bewustwording, maar evengoed tot een negatief zelfbeeld van de leerling. Is het nodig dat de leerling dit allemaal weet?
Tegenover deze laatste trend die zich nog in een hype fase bevindt, sta ik vooralsnog sceptisch.

Betreft wereldbeeld
Al deze nieuwe technologie zal ongetwijfeld ons wereldbeeld veranderen, zoals ook de boekdrukkunst invloed heeft gehad op het toenmalige wereldbeeld. [1] Tot welke nieuwe concepten en visies zal de digitale technologie ons brengen?
In het rapport staat: “Het internet zorgt er bij uitstek voor dat grenzen worden weggenomen. Fysieke locatie, tijd en afstand worden minder relevant bij onderlinge communicatie en de toegang tot kennis en instructie.” (p. 12) We kunnen vermoeden dat door het wegvallen van deze grenzen, gebruikers van het internet zich onderdeel gaan voelen van een veel grotere ingebeelde gemeenschap. Zullen zij zich wereldburgers gaan voelen?
Gaat het Engels als taal steeds meer overheersen? Hoe zullen de andere talen ontwikkelen?
            Zal de democratisering van kennis doormiddel van onder andere MOOCs ervoor zorgen dat steeds meer mensen kunnen studeren en een diploma behalen? Of is dat laatste niet meer belangrijk en gaan de ‘21e-eeuw vaardigheden’ (het kunnen omgaan met nieuwe technologieën) primeren boven een diploma?
            Wat zal de invloed zijn op de machtsverhoudingen nu ook de mogelijkheid voor het aanbieden van informatie gedemocratiseerd is?
            Tal van vragen. De toekomst zal het uitwijzen. Maar laten wij de leerlingen wel voorbereiden op deze toekomst met technologiewijsheid.

Referenties:
Kennisnet, 2014 “Trendrapport 2014-2015, technologiekompas voor het onderwijs”
  
Kennisnet, 21 februarui 2014 “Waarom kinderen van 5 moeten begrijpen wat een algoritme is” door Lucas Raggers

Anderson, Benedict, 1983 “Imagined Communities, Reflections on the Origin and Spread of Nationalisme”, Verso, New York ISBN 0-86-91-059-8

Audiovisuele bronnen:
Ter illustratie van technologie en communicatie:
Video “Since” door Cyril Calgaro http://vimeo.com/35781672 - december 2012

Ted-talk: Thomas Twaits How to build a toaster – for scratch - november 2010

In de documentaire Superschool van Tegenlicht VPRO zien we op 14’58’’ een technologie les in de Merchiston Castle school in Edinburgh, Schotland – 30 september 2013


[1] Benedict Anderson stelt in “Imagined communities” (1983) dat de technologie van de boekdrukkunst in combinatie met het kapitalisme een grote bijdrage leverde aan het ontstaan van nationalisme.

Met deze app schakelen leerkrachten alle gsm's uit

Dit is "nog niet" van toepassing bij ons, maar in Zuid-Korea hebben ze een app gemaakt waardoor leerkrachten de gsm's van leerlingen vanop afstand kunnen vergrendelen.

Lees hieronder het artikel:

Met deze app schakelen leerkrachten alle gsm's uit

De komst van de gsm was voor vele leerkrachten een doorn in het oog, aangezien de aandacht van hun leerlingen flink kelderde. Nu hebben ze in Zuid-Korea een oplossing; via een app kunnen de leerkrachten elke gsm in het schoolgebouw vergrendelen van op afstand.

Ze doopten de app 'iSmartKeeper' en gaven hem meteen verschillende functies en keuzemogelijkheden mee. De app kan gsm's in het schoolgebouw vergrendelen, enkel noodoproepen toestaan of alle apps met één druk op de knop afsluiten. Via een GPS krijgt de dienst een overzicht op alle gsm's die zich op het schoolterrein bevinden.

Zuid-Korea is erg vooruitstrevend op vlak van technologie, maar krijgt daar nu dus ook de nadelen van te zien. De jongere generaties zijn en masse verbonden via tientallen verschillende apps. Alles wordt steeds sneller en beter toegankelijk, maar op die manier wordt de relatie met hun mobieltje bijna ongezond.

Angst en depressie

Volgens een onderzoek(1) is zelfs 18 procent verslaafd aan hun gsm, wat gelijk staat aan een gebruik van meer dan zeven uur per dag. Ook zouden ze tekenen vertonen van angst en depressie eens ze hun mobiel niet bij de hand hebben. Daarbij zou de iSmartKeeper dus kunnen helpen om alles onder controle te houden.

In de testfase moesten er wel nog enkele euvels verholpen worden. Zo bleven sommige gsm's geblokkeerd tot lang na het laatste belsignaal, bestaat er voorlopig enkel nog maar een Android-versie en vonden de studenten manieren waarop ze de app konden omzeilen. Toch adviseert de regering de 677 scholen in Gangwon-do nu toch om de app in te voeren. 

Klik hier voor link naar artikel.


Extra links: (Neem hier ook zeker een kijkje)

(1) Onderzoek: A Rising Addiction Among Youths: Smartphones

Scholen steeds strenger tegenover gebruik gsm en smartphone

Hoe veranderen sociale medie en smartphones het onderwijs

Using Smartphones (and other PDAs) in Class: These Days, it’s Cool!

Smartphones in de klas  Een attitude-onderzoek op het Niftarlakecollege te Maarssen

Using Smartphones as essential tools for learning
 


Reflectie:

In een steeds technologischere evoluerende wereld zijn we steeds meer en meer "connected". De vrijheid en mogelijkheden dat nieuwe technologiën aanbieden zijn ook immens groot. We kunnen deze, zoals we in onderwijstechnologie zien, gebruiken om kennis te delen en leerprocessen te vergemakkelijken of boeiender te maken. Maar waar ligt de grens? We leren kinderen omgaan met deze technologie, maar kunnen ze ook nog zonder? En heeft deze "verslaving" een positieve/negatieve invloed op de sociale omgang?
Technologie kan gebruikt worden in het onderwijs, maar wat als het wordt misbruikt? Als toekomstige leerkrachten, denk ik dat we allemaal gefrustreerd zouden zijn wanneer leerlingen met hun smartphone bezig zijn ipv naar onze les te luisteren. (Ironisch genoeg hebben "we" ook allemaal al eens onze smartphone in een les bovengehaald... ahum...) Met deze applicatie zou je dit kunnen vermijden, maar is dit niet een drastische maatregel? Om nog maar te zwijgen over het gigantische privacy-debat dat hierbij komt kijken.
Gebruik van gsm's en dergelijke zijn vaak verboden in het schoolreglement. Is dit dan toegelaten aangezien de leerlingen zich niet aan de regels houden? Behoort dit nu eenmaal tot de leefwereld van de leerlingen en toekomstige generaties of is dit gewoon onverantwoord gebruik? Wordt er teveel aandacht gespendeerd aan de nadelen dan aan de positieve mogelijkheden? Is deze controle uitgaande van de school nodig en/of goed? Of zou een beter beleid de oplossing kunnen zijn. Als toekomstige leerkracht zie ik dit eigenlijk wel als positief. Jullie ook?


 
 

Niet-gedigitaliseerde leerlingen verdienen op de Dag van de Arbeid geen 'pingping'

Bedreigen digitale oefenplatformen de binnenklasdifferentiatie?


1 mei: Dag van de Arbeid. Leerlingen hebben vandaag geen school. En toch zullen er vandaag 280.000 leerlingen op het digitale oefenplatform bingel.be extra oefenen om 'pingping' te verdienen waarmee ze games kunnen spelen. 2 op 3 lagereschoolkinderen gebruiken dit oefenplatform namelijk dagelijks.



"Bovendien kunnen leerkrachten met de nieuwe versie met één druk op de knop per leerling een apart oefenbundel samenstellen. Op basis van de automatisch - ze kunnen ook handmatig worden ingevoerd - berekende resultaten van een leerling kan een leerkracht heel gemakkelijk gedifferentieerd werken ... Een sterke leerling heeft verdiepende oefeningen nodig, een zwakkere leerling meer oefeningen. Dat kost je enorm veel opzoekwerk en voorbereidingen. De nieuwe Bingel doet dat voor ons, zodat we meer tijd kunnen besteden aan de leerstof en de leerlingen." [1]


 

Reflectie



Steeds meer ligt de focus in het onderwijs op de differentiatie die men in het onderwijsgebeuren kan uitvoeren. Iedereen moet mee. Niemand mag achterblijven. Talenten moeten een persoonlijke begeleiding krijgen. Onderwijs moet hoe langer hoe meer ook leuk zijn. Het leven gaat snel, verveling loert sneller dan vroeger om de hoek. Storyfication en gamification worden dan ook een onderdeel van het onderwijsgebeuren. Onderwijs wordt tevens digitaler, een maatschappelijke evolutie. Diverse studies wijzen uit dat steeds meer leerlingen leven in gezinnen waar zowel PC, TV, GSM en laptop aanwezig zijn: multiscreen-gezinnen. En toch zijn er ook kinderen die nooit van het digitale tijdperk hebben geproefd. "Computerbezit (laptop/desktop) in Vlaamse huishoudens satureert rond de 92%. Internet in Vlaamse huishoudens lijkt gestagneerd rond de 93%. 6% van de Vlamingen heeft computer noch internet in huis. Meestal gaat het daarbij om ouderen, gepensioneerden of lager opgeleide Vlamingen." [2]


Bingel.be is niet gratis. Net zoals de boekdrukkunst wordt ook de digitale kennisverwerving gecommercialiseerd, beschermd door auteursrechten en gebruikersvoorwaarden. [3] Hierdoor dreigt de digitale binnenklasdifferentiatie onbereikbaar te worden voor kinderen van gezinnen die niet gedigitaliseerd zijn. Open scholen als centrum van het wijkgebeuren, bereikbaar tot 18 uur. Misschien nog niet zo een zot idee van Caroline Gennez [4], want niet-gedigitaliseerde leerlingen verdienen op de Dag van de Arbeid geen 'pingping'.