woensdag 1 april 2015

"Tablet of geen tablet": de keuzes van het onderwijs in een technologisch tijdperk

"Tablet of geen tablet": de keuzes van het onderwijs in een technologisch tijdperk

Samenvatting

Het integreren van nieuwe technologieën in een klassikale context is iets wat onvermijdelijk lijkt. Denk maar aan de eerste leerlingen die het voorrecht genoten om een rekenmachine te gebruiken in de klas. Tijdens de jaren '90 en de vroege jaren 2000 maakte ook de computer zijn opwachting in klaslokalen en het curriculum. In 2015 is de computer een standaard meubelstuk in elk klaslokaal.  Enkele jaren geleden werd de tablet als nieuw medium geïntroduceerd op de markt. Hoe lang duurt het nog voor ook dit een courant object wordt in elk klaslokaal?
Het artikel "Tablet of geen tablet" stelt dat het zeker geen vaststaand feit is dat de tablet op de schoolbanken standaard zal worden gebruikt. Er zijn effectief heel wat scholen in Nederland (het is een Nederlands artikel) die tablets beginnen aanschaffen; die blijken nuttig te zijn voor, bijvoorbeeld, het vreemdetalenonderwijs. Om Frans, Engels, Duits of Spaans te leren, bestaan er allerlei leuke apps waarmee de studenten op eigen tempo vorderingen kunnen boeken. Als het voor de ene leerling een stuk vlotter gaat dan voor de andere, kan de leraar hier ook op inspelen door hem of haar oefeningen te laten doen op een hoger niveau, of door andere apps aan te bieden. Op deze manier kan de tablet tegemoet komen aan de grote nood aan differentiatie in het klaslokaal. Daarnaast kiezen scholen voor tablets omdat zij "handzamer zijn, een betere leesbaarheid bieden, een langere batterijduur hebben en snel opstarten". (Peterink, 21)
Ondanks deze voordelen hebben ook veel Nederlandse scholen een afwachtende houding ten opzichte van deze ontwikkelingen. De discussie gaat gepaard met fundamentele verschillen in onderwijsvisie; uit ervaring blijkt dat het gebruik eerder geassocieerd wordt met het "consumeren" van onderwijs, en de computer of de laptop met het "produceren". De computer zou nog steeds iets toegankelijker zijn om teksten te schrijven, en zelfstandig te werken aan taken e.d., omwille van het feit dat ze een toetsenbord hebben, terwijl op een tablet alles wat vereenvoudigd wordt. De keuze voor computer, dan wel voor tablet haakt dus in op een bredere discussie over onderwijsopvattingen; willen wij dat onze leerlingen alles eerder receptief in zich opnemen, of willen wij de leerlingen liever zelf aan de slag laten gaan?

Reflectie

De introductie van tablets op de schoolbanken lijkt mij een logische evolutie. Enkele jaren geleden hoorden we al berichten van scholen die hun leerlingen laptops aanboden, waardoor boeken en papieren al sterk naar de achtergrond werden geduwd. Ook het succes van online-leerplatformen zoals SmartSchool doen een beroep op de computervaardigheden van de leerlingen. Bovendien leidt een onderwijsvorm die beroept op een intensief gebruik van computers en laptops de leerlingen voor op het professionele leven, waarin de computer haast niet meer weg te denken is. Op zich vind ik het dus zeker logisch dat de computer een centrale plaats is gaan innemen in het schoolse curriculum.
Daarom plaats ikzelf wat vraagtekens bij wat de rol van de tablet zou kunnen zijn. Akkoord, er zijn apps die het leren kunnen stimuleren. Maar dat kan uiteraard ook gezegd worden van het onvoorstelbaar grote gamma aan schoolse computerprogramma's. Een tablet lijkt mij minder gebruiksvriendelijk dan een computer, of toch in de vorm zoals tablets vandaag de dag bestaan - er kan natuurlijk nog veel gebeuren. Een computer kan alles wat een tablet ook kan, en is - in mijn ogen althans -  gebruiksvriendelijker. Persoonlijk vind ik het ontbreken van een klavier bij de tablet een grote handicap van het medium. Bovendien heeft de computer nu al zo'n centrale rol verworven in de schoolse context, dat ik het mij moeilijk kan voorstellen dat de tablet deze rol ooit zou usurperen. 
Ik kan mij vinden in de tweedeling die het artikel "Tablet of geen tablet" maakt, wanneer het stelt dat tablets zich eerder lenen tot het consumeren van onderwijs, terwijl computers en laptops zich eerder richten tot het produceren ervan. De tablet is - dit is een puur subjectief aanvoelen van mij - in mijn ogen wat minder "professioneel". Ik geef het medium al snel de connotatie van "spelletjes en Candy-Crushen" mee. Uiteraard wéét ik dat een tablet véél maar aan kan dan dit louter amusement, maar het is gewoon de indruk, het gevoel dat het medium bij mij oproept. 
Met de computer daarentegen, heb ik die perceptie minder. Allicht is dit deels omdat ikzelf meer vertrouwd ben met dit medium, en zeker in een schoolse context. Zelf heb ik al een massa aan ervaringen waarop de computer mij van dienst is geweest tijdens mijn opleiding; het opzoeken van informatie op het internet, het schrijven van teksten, het maken van presentaties, het monteren van filmpjes, het ordenen van allerlei gegevens in een spreadsheet, ... Allerlei zaken die ik perfect haalbaar vind met de computer. Ik geloof best dat dit allemaal ook perfect te bolwerken valt met een tablet, maar opnieuw: dat is niet het eerste waar ik aan denk. Aan de computer wel. 
De voorbije jaren heeft de computer zich onmisbaar gemaakt in het dagelijks leven, het bedrijfsleven en de schoolse context. Maar ik vind het wel goed zo; ik vind de computer wel een toffe. Hij mag blijven. 

Referentie

Peterink, S. (2014). Tablet of geen tablet? inDruk 4 (1) p. 21-23. Geraadpleegd op 1 april,  2015 via http://www.kennisnet.nl/fileadmin/contentelementen/kennisnet/InDruk/zomer2014/inDruk_12014_05-tablets.pdf.


Hebben sociale media een voorspelbare impact op het leerproces voor het aanleren van vreemde talen?

«Social Media, Collaboration and Social Learning – a Case-study of Foreign language learning», Margrethe Mondahl and Liana Razmerita

Samenvatting
Met behulp van zowel kwalitatieve als kwantitatieve gegevens wordt in dit artikel ingegaan op ervaringen en uitdagingen van het gebruik van een on line leerplatform, aangevuld door sociale media, voor het case-based onderwijs van vreemde talen.
De auteurs vertrekken van de theorie van het sociale constructivisme waarvoor het leren van een vreemde taal zowel een individueel als een gezamenlijk proces is en concluderen dat cognitieve processen die ten grondslag liggen aan het leren, in het bijzonder het leren van een vreemde taal, vergemakkelijkt worden door middel van sociale media en dit zeker voor de nieuwe generatie studenten.
Het onderzoek spitst zich toe op het bepalen welk apect van het vreemde taalleren wordt versterkt door het leerplatform aangevuld door sociale media.
Volgens de auteurs wijzen de bevindingen van het onderzoek erop dat indien een leerplatform aangevuld werd met sociale media, dit zal leiden tot meer collaboratieve leerprocessen en een ondersteunend en bevorderlijk resultaat zal hebben voor het succesvol oplossen van problemen en het succesvol leren van vreemde talen.


De theorie van het sociale constructivisme vertrekt van het standpunt dat leerlingen het best geholpen worden bij hun inspanningen tot het verwerven van nieuwe kennis door: het delen van kennis, het oplossen van concrete problemen en het gebruik van empirisch gebaseerde materialen. Deze theoretische principes worden in het artikel uitgelegd en toegepast voornamelijk op het leren van een vreemde taal.

De collaboratieve leeromgeving en sociale media die in de case werden gebruikt, worden beschreven: online chats, wikis, blog, sociale netwerk sites. Het zijn echter niet de algemeen bestaande, beschikbaar voor iedereen en populaire sociale media, zoals Facebook, Instagram, Tweeter.

De studie werd strikt opgebouwd met een groep studenten die allen dezelfde opdrachten kregen waarbij de ene helft gebruik kon maken van een leerplatform aangevuld met sociale media, terwijl aan de andere helft enkel het studie materiaal online werd aangeboden zonder bijkomende collaboratieve tools.

De resultaten van de  studie toonden aan dat studenten die de sociale media hadden aangeboden gekregen:
- deze sociale media in relatief grote mate hadden gebruikt;
- meer succesvol waren in het oplossen van opdrachten gerelateerd met algemene tekst productie of meer pragmatische redeneringen (vb doelgroep van de communicatie voor wie zij moesten schrijven) dan de controlegroep, terwijl de controlegroep meer succesvol was op taalkundig niveau, nl het oplossen van problemen van
syntaxis en woordenschat.
- een zekere interesse hadden gehad in het collaboratieve element van het leren, maar toch zeker het belang van de eigen persoonlijke kennis vooropstelden;
- over het algemeen gemotiveerd waren door de sociale media, hoewel er toch ook negatieve commentaren werden opgetekend over het gebrek aan werkelijk onderwijs en onvoldoende lesuren.

REFLECTIE

Een belangrijke voorafgaande opmerking is dat zoals gezegd de «sociale media» waarvan sprake in dit artikel niet de meest gekende publieke sociale media zijn, maar specifiek ontwikkelde tools die aansluiten bij het leerplatform dat aan de studenten wordt aangeboden.

De beschreven studie heeft de verdienste om een wetenschappelijke benadering te geven van iets dat door allen intuïtief wordt aangevoeld: het gebruik van sociale media zou het leren moeten stimuleren. De auteurs proberen nauwkeurig de verschillende impacten van de sociale media op het leerproces voor het aanleren van een vreemde taal na te gaan door middel van een reeks uiteenlopende onderzoeksvragen:

Het is interessant om na te gaan hoe weinig de 'assumpties' over leren met sociale media (nl. betere kennisverwerving, meer collaboratief werken en meer motivatie) in vraag worden gesteld door de vele sites die het gebruik van sociale media bevorderen voor het onderwijs (zie een paar voorbeelden in punt 1. in de referenties). Deze sites beschouwen dikwijls alle on-line sites als 'sociale media' en gaan ervan uit dat het gebruik ervan alleen maar bevorderlijk kan zijn voor het leren.

Uit de besproken wetenschappelijke studie blijkt nochtans dat

1. «wat» geleerd wordt misschien niet hetzelfde is wanneer leerlingen al dan niet on-line sociale media tools aangeboden krijgen, nl taal studenten bleken hun werk inderdaad minder te hebben toegespitst op syntaxis en woordenschat, maar hadden de redeneringen en het doelpubliek van hun opdracht beter ingeschat. Deze vaststelling zou moeten voor ogen gehouden worden wanneer het gebruik van social media tools wordt aangeboden door de leerkracht: welke kennis wenst men te bevorderen bij de leerlingen?

2. «collaboratief» leren: hoewel de studie toont aan dat dit wel groter was bij studenten die de sociale media aangeboden kregen dan bij de controlegroep die deze media niet gebruikten, wordt ook toegegeven dat studenten vooral doelen op het vergroten van hun individuele competenties. Er is dus een zekere begeleiding vereist om te komen tot echt collaboratief leren.

Het lijkt mij in dit opzicht wat onvolledig dat de auteurs niet meer aandacht hebben besteed aan de bestaande literatuur en handleidingen die ik als leek toch wel snel kon vinden, die expliciet het «online collaboratieve» werken bespreken en gedetailleerde aanwijzigen geven over hoe een online platform best wordt uitgebouwd en begeleid om tot collaboratief werken te komen (zie voor enkele voorbeelden punt 2 in de referenties). De analyse van de opbouw van het leerplatform en de sociale media tools wordt in het besproken artikel niet gemaakt, terwijl een juiste opzet, inleiding en begeleiding van die tools een grote impact blijkt te hebben op het bereiken van het «collaboratief leren» objectief.

3. «motivatie» ook hier zal dit zeer afhankelijk zijn van de opzet van het platform en de gegeven begeleiding. Motivatie enkel en alleen omwille van de technologie geeft geen blijvend resultaat.


CONCLUSIE

Samen met mijn medestudenten die de impact van het gebruik van sociale media en meer algemeen ICT in het onderwijs hebben besproken op deze blog, wens ik te concluderen dat de doorslaggevende factor van het effect van welke tool ook, de begeleider zal zijn. Het is aan de leerkrachten om goed de pedagogische en didactische doelstellingen te bepalen die zij wensen te bereiken met het gebruik van ICT. Hierbij kan het zijn dat na gebruik andere resultaten worden verwezenlijkt dan oorspronkelijk voorzien waren. De leerkracht zal dan moeten uitmaken of de gebruikte middelen moeten bijgestuurd worden of zou ook kunnen beslissen dat de onverwachte uitkomsten op meer natuurlijke wijze tegemoet komen aan de vereiste competenties voor de burgers van morgen.



Referenties
Artikel : Margrethe Mondahl and Liana Razmerita “Social media, Collaboration and Social Learning – a Case-study of Foreign Language Learning” The Electronic Journal of e-Learning Volume 12 Issue 4 (2014), (pp339-352) online op www.ejel.org

1. Handleidingen voor sociale media in het onderwijs:

2. Hoe online platformen coöperatief maken:


Interactieve video onderwijs tools

In mijn zoektocht naar een leuk onderwerp voor deze blog dacht ik bij mezelf eens te gaan kijken of er awards bestaan voor technologie die gebruikt kan worden in de klas. En via een korte google sessie kwam ik op de volgende site terecht: http://sxswedu.com/launch-edu. Dit blijkt een award uitgereikt aan start-ups in technologie die bedoeld is voor het onderwijs. De winnaar van dit jaar is Zaption, een bedrijf dat om het met hun eigen woorden te zeggen: “Zaption helps educators turn video into a personalized, interactive learning experience. The result is an engaging ‘lean forward’ activity. With Zaption’s analytics, instructors get real-time feedback and actionable data to track progress towards learning outcomes.” Het idee sprak me meteen aan, je neemt een bestaande youtube video en je onderbreekt hem bij bepaalde fragmenten om de leerlingen een vraag te stellen of extra’s in te voegen zoals foto’s of tekst. Nadien krijg je als leraar te zien of de leerlingen de taak gemaakt hebben , hoeveel tijd ze eraan besteed hebben en hoe goed ze de taak gemaakt hebben. Bovendien kunnen ze de video zelf beoordelen en krijg je dus meteen feedback.
Ik wou weten of er nog meer software bestaat die dit toelaat en ik kwam op de site van de Penn State university onder teaching and learning with technology op een artikel van Mary Janzen getiteld: “Seven things you need to know about interactive video assessment tools”. Zij vergeleken drie interactieve video onderwijs tools nl. EDpuzzle, eduCanon, en  Zaption.  En ze gingen aan de hand van de volgende zeven vragen na of ze een bruikbare tool kunnen zijn in het onderwijs.
1.       Wat zijn ze?
·         Zoeken naar bestaande video’s op platforms zoals YouTube en Khan Academy.
·         Een fragment of een hele video gebruiken.
·         Je eigen stem inspreken op de video.
·         Je eigen vragen in de video integreren (waar/fout, multiple choice, open vragen).
·         Analyses over de voortgang op het niveau van de individuele leerling en het niveau van de klas.
·         Studenten kunnen hun eigen video maken als project.
Deze tools zijn voorbeelden om blended en online learning, het flipped classroom concept makkelijker te maken. Het Flipped classroom concept werd al eens uitgelegd in de blogpost ‘ Zet je (wiskunde-) les eens op zijn kop! ‘ door Anouk Geypen op 1 maart 2015 gepost op onze blog.
2.       Hoe werken ze?
De basis versie van de drie tools is gratis maar de uitgebreide versies zijn betalend.  Dit wil zeggen dat er in de betalende versie meer opties zijn om bijvoorbeeld de video enkel voor je eigen klas beschikbaar te maken, of de mogelijke vragen die je kan integreren of hoeveel video fragmenten je aan elkaar kunt plakken.
3.       Waarom zijn ze belangrijk?
Om uit te leggen waarom deze tools belangrijk zijn haal ik er even enkele nadelen, die aan het gebruik van video in het onderwijs hangen uit de online cursus in wikibooks,bij:
- “Eenvoudig medium voor leerlingen: minder intensieve aandacht voor informatie
- Film = associatie van ontspanning, plezier -> wordt niet als leermiddel beschouwd door leerlingen
- Tijdsmedia: bepalen het tempo van de les -> belang van tijdsmanagement en selectie, tijdrovend
- Vertonen van beelden is onvoldoende an sich: nabesprekingen, taken
- Video en dvd altijd situeren in context of probleemstelling: anders niet zinvol
- Tijdrovende voorbereiding leerkracht”

Aan al deze nadelen wordt een beetje geknabbeld door het gebruik van deze interactieve onderwijstools. En zijn ze dus een voordeel ten opzichte van het ‘gewone’ niet interactieve video gebruik in de klas. De leraar knipt en plakt en kiest dus precies wat hij wil laten zien en hoe veel tijd de leerlingen eraan moeten besteden. Door vragen in te brengen wordt de video  een actievere leervorm. Bovendien kunnen afwisselende vormen van media door elkaar gebruikt worden: bewegende beelden, afbeeldingen, tekst en geluid.  De leraar krijgt meteen de resultaten van de leerlingen en ziet waar er extra aandacht aan moet gegeven worden in de les. De toets is dus vrijwel meteen verbeterd. Dit kan een grote besparing in tijd zijn voor de leraar die de  tijdrovende voorbereiding  kan compenseren.
4.       Wat kunnen ze beteken voor onderwijs?
Naast de algemene voordelen van het gebruik van video in het onderwijs is het grote voordeel dat de leraar zijn eigen vragen kan in brengen en de antwoorden van de leerling direct binnen krijgt.  Het kan een goede tool zijn om, voor dat je aan een nieuw onderwerp begint, na te gaan hoeveel de leerlingen er al over weten.
5. Wat zijn de nadelen?
Het is belangrijk om in te zien dat dit een aanvulling is op het onderwijs het geen vervanging van andere lesmethodes. Het bekijken van een video blijft een passieve vorm van leren, zelfs als de video goed gemaakt is.  Het invoegen van interactieve elementen leidt niet noodzakelijk naar kritisch denken.
De praktische nadelen zijn dat voor een volledig pakket betaald moet worden, bijna 90$ per leraar voor 5 klassen op jaar basis. Niet alle video’s zijn beschikbaar voor alle gebruikers. Indien dit wel het geval was zou dit het algemene onderwijsniveau omhoog brengen. Goede video’s zouden kunnen gedeeld en gebruikt worden.
Een ander gevaar is de privacy, als leraar kun je bijvoorbeeld kijken op welk IP-adres de leerlingen hebben ingelogd. Je krijgt een inzicht in waar, hoe en wanneer de leerling buiten de school met je vak bezig is , maar je kunt je afvragen of je dat als leraar wel moet weten.
6. Wie gebruikt ze?
Op dit moment worden deze tools nog voornamelijk in de Verenigde Staten gebruikt omdat ze er ontwikkeld zijn en in het Engels gemaakt zijn. Ze werken wel aan een uitbreiding naar andere talen, er is net een Franse en een Spaanse versie gemaakt. De tools kunnen op alle niveaus in het onderwijs gebruikt worden, maar op dit moment worden ze vooral in het middelbaar onderwijs ingezet.
7. Waar gaan ze naartoe?
“Video is becoming one of the most prevalent methods of conveying information for learning for all ages, particularly in the growing fields of online, blended, and flipped classes. Combined with the ability to integrate custom assessment questions and powerful analytics, interactive video creation tools are projected to become some of the most useful teaching tools on the horizon.
De schrijvers zien zeker een toekomst weggelegd voor deze tools in het onderwijs en ik sluit mij daarbij aan.  

Een screenshot van de Analytics die gegeven worden door Zaption. Je kunt makkelijk zien wanneer de leerlingen de opdracht gemaakt hebben, hoelang ze er aan gewerkt hebben, hoeveel vragen ze hebben opgelost, wat de gemiddelde score is, of ze doorgespoeld hebben tijdens de opdracht en wat ze er zelf van vonden. Dit lijkt mij een zeer nuttige tool om in de gaten te hebben of je leerlingen de leerstof begrepen hebben en of ze er thuis mee bezig zijn geweest.
Een voorbeeld van een video over fotosynthese in Zaption: http://zapt.io/tcmjck4r
Een goed moment om deze video aan de leerlingen aan te bieden zou zijn, net na de theorie les en de dag voor het practicum.
Ik ga deze tools zeker eens gebruiken en ik hoop dat ik hier ook iemand geïnteresseerd heb gemaakt.






Zorgen online cursussen voor meer of minder interactie?



Online cursussen worden gezien als de nieuwe grote ontwikkeling in het onderwijslandschap. Het gaat om cursussen die gegeven worden via het internet. Dit kan zijn in de vorm van opnames van hoorcolleges, maar ook interactieve live hoorcolleges met chat en video, forums waarin studenten en lesgevers interageren, maar ook oefeningen en overhoringen. Deze online cursussen kunnen zowel gratis als betalend zijn, en worden soms door duizenden studenten tegelijk gevolgd, zoals in het geval van Massive Online Open Courses, oftewel MOOC's .  

Deze vorm van leren op afstand heeft zowel voordelen als nadelen. Om te beginnen maakt het cursussen beschikbaar voor mensen die te ver wonen van een universiteit of school om dagelijks te pendelen, of die het zich niet kunnen veroorloven om een kot te huren. Ook voor zij die dit wel kunnen, maar simpelweg tijd willen besparen, zijn online cursussen een welkome toevoeging. MOOC's kunnen echter geen mensen helpen die helemaal geen toegang hebben tot internet, zoals het grootste deel van de wereldbevolking. Zij die er mogelijk het meest mee geholpen zouden worden, vallen dus uit de boot. Als de internetverbinding wegvalt of erg traag is, kan ook dit een probleem zijn bij de live vormen van MOOC's, hoewel niet zozeer bij bijvoorbeeld het bekijken van opnames.  
Als de cursus gratis of goedkoper is dan zijn traditionele tegenhanger, zorgen MOOC's er ook voor dat veel meer financieel zwakke mensen een opleiding kunnen volgen. Vooral in landen als de Verenigde Staten van Amerika, waar het doodnormaal is dat mensen er jaren over doen om de kosten van hun universiteitsopleiding af te betalen, is dit een grote bonus. Kanttekening hierbij is wel dat het volgen van een gratis online cursus niet betekent dat je een diploma haalt. Daarvoor moet je nog altijd geld ophoesten. Wie gratis online onderwijs volgt, haakt echter vaak af voor het einde. Opnames van hoorcolleges worden vaak niet volledig bekeken. Dit komt mogelijk grotendeels doordat de cursus gratis is en het dus gemakkelijk is om je in te schrijven en het eens uit te proberen. Als je het probeert en dan beslist dat je het toch niet ziet zitten, heb je niets meer verloren dan een beetje van je tijd. 

Veel eerstejaars aan de traditionele universiteit slagen niet voor (een deel van) hun vakken, omdat ze niet in de goede richting zitten of omdat ze niet gewend zijn aan de grote autonomie die ze opeens krijgen. Zo verliezen zij direct een semester of een heel jaar. Als zij een betaalde universiteitscursus online volgen en dan beslissen om te stoppen, zijn ze zowel geld als veel tijd kwijt. Mogelijk maakt de aard van de online cursus hen bovendien meer geneigd om de opleiding niet au sérieux te nemen. Hoorcolleges zorgen voor controle; de lesgever ziet erop toe dat zij een beetje opletten en de klasclown uithangen wordt sowieso al niet meer getolereerd in een universiteitsklas.
Bovendien speelt ook het sociale aspect een belangrijke rol. Op de campus leren de studenten hun lesgevers en medestudenten kennen. Zij vormen vriendschappen van korte of lange duur. Nu al speelt ons leven zich meer en meer af online, op sociale media. Het echte menselijke contact vermindert en een deel van de samenleving vereenzaamt. Veel dingen die men nooit in iemands gezicht zou zeggen, worden wel online gepost. Als men zich kan verschuilen in de anonimiteit doen sommigen zelfs ergere dingen, zoals mensen bedreigen met de dood. Individuen worden gezichtsloze "anderen". Constant achter een scherm zitten en weinig interactie hebben "in real life" kan niet goed zijn voor de samenleving en de individuele psychologische gezondheid. 

Hoewel ik denk dat online cursussen erg nuttig zijn, vind ik niet dat ze als vervanging mogen dienen voor alle cursussen. Het lijkt me echter niet ondenkbaar dat universiteiten, die constant op zoek zijn naar manieren om minder geld uit te geven en meer geld binnen te halen, deze vervanging op termijn willen doorvoeren. Aan de Vrije Universiteit is het zelfs zo ver gekomen dat er geen Latijn meer gegeven wordt. "Scientia vincere tenebras" klinkt nu wel erg hol. 

Sanjay Sarma, directeur van MIT’s Office of Digital Learning ziet dit echter compleet anders. Hij denkt dat online cursussen juist zullen leiden tot een terugkeer naar vroegere tijden, waar leraars meekeken over de schouders van hun studenten terwijl die praktijkopdrachten uitvoerden. Volgens hem worden online cursussen namelijk het best gebruikt als hoorcolleges, zodat de professoren meer tijd overhebben om de leerlingen te begeleiden bij praktijkopdrachten of om extra vragen te beantwoorden. Hij vindt dat hoorcolleges te passief zijn, terwijl "doen" en "deelnemen" nu juist opkomen als pedagogische trends. In zijn visie leiden online cursussen niet tot minder, maar juist tot meer interactie. In plaats van hoorcolleges waar vooral de lesgever al het praten doet en de leerlingen luisteren en noteren, komen er meer praktijkgerichte lessen waar lesgevers en studenten meer interageren en actief bezig zijn. 

Het systeem zou ook handig zijn voor studenten die een semester lang in het buitenland vertoeven om veldwerk te verrichten, of om aan hun thesis te werken. Op deze manier zouden ze nog altijd cursussen kunnen volgen aan de universiteit en contact houden met hun professoren en medestudenten. Zelf denk ik dat dit ook handig is voor Erasmusstudenten en voor studenten die voor korte of langere tijd ziek zijn. 

Online cursussen hebben zeker veel voordelen, maar ik vind niet dat ze de traditionele cursussen compleet mogen vervangen, tenzij er geen andere mogelijkheid is voor de student om de cursus te volgen. Het mag zeker niet toegepast worden uit geldgewin, want dan komt het alleen de portemonnee ten goede (en waarschijnlijk niet eens die van de studenten of mogelijk zelfs die van de universiteit). De technologie moet gezien worden als een toevoeging en verrijking die in de eerste plaats de student en in de  tweede plaats de lesgever ten goede komt.
  
Bronnen:

Surf jij mee op de tsunami van de Massive Open Online Courses (MOOC)?

Surf jij mee op de tsunami van de Massive Open Online Courses (MOOC)?


Waar iedereen en (bijna) alles verbonden is met technologie en transparante communicatie beginnen stilaan de educatieve instellingen over heel de wereld in dezelfde boot te springen. Welke boot vraagt u zich af? Wel, de vergelijking kan misschien beter geformuleerd worden als een megacruise op ramkoers. Deze megacruise is de intrede van de Massive Open Online Courses. In het Nederlands kan je ze best beschrijven als Collectieve Open Online Leerplatformen. Simpelweg lessen volgen online in plaats van in de klas. De professor legt voor jou en honderdtal andere digital students zijn lesinhoud uit. Dit kan gebeuren via forums, cursussen, lessen en oefeningen. De ene kan 100 % digitaal opvolgbaar zijn en de andere kan gedeeltelijk geblend zijn met de klassieke manier. Namelijk facetoface en digitale mogelijkheden.

Dit idee is niet nieuw maar begint toch stilaan open te bloeien in heel de wereld zo blijkt. Vooral in de Verenigde Staten (en dan voornamelijk in Georgia Tech) heeft deze online educatie zijn plekje gevonden en dat is om geen willekeurige reden. De reden hiervoor is dat een dergelijke MOOC te volgen is aan educatieve instellingen aan een veel lagere prijs in plaats van het  traditionele parcours/opleiding. 

Ergo democratisering van het onderwijs? Niet zozeer beste mensen. Wanneer je een dergelijke MOOC volgt krijg je hier hedendaags enkel een certificaat voor en geen traditioneel diploma. Evengoed nestelt het idee van de MOOC zich toch in de boom van het levenslang leren.

Ter illustratie: in de toekomst zou je dan verschillende vakken en opleidingen uit verschillende educatieve instellingen met elkaar kunnen combineren. Zo zul je een Master Geschiedenis van Oxford kunnen combineren met een Master Psychologie aan de VUB. Elk toegespitst op hun eigen prestiges. 

In Europa en ook in België (KUL en UGent) nemen ze alvast grote (maar voorzichtige) stappen in deze merkwaardige richting.

Plausibel of sciencefiction? Kwaliteitstoename of -afname? Sociaal verval of net noodzakelijk voor een specifieke doelgroep?

Time and studies will tell.

Literatuur:

  • SELINGO (J). MOOC U: Who Is Getting the Most Out of Online Education and Why. Simon & Chuster, New York, 2014, 208 p.


https://books.google.be/books?id=9HUYBAAAQBAJ&pg=PT12&dq=mooc&hl=nl&sa=X&ei=LlocVZSvFs3naJGEgdgJ&ved=0CB4Q6AEwAA#v=onepage&q=mooc&f=false


  • MCKENNA (L.). The Big Idea That Can Revolutionize Higher Education: 'MOOC'. (Gepubliceerd in The Atlantic: 11-05-2012). (Online).



http://www.theatlantic.com/business/archive/2012/05/the-big-idea-that-can-revolutionize-higher-education-mooc/256926/

  • DE WISPELAERE (A.). Weg met krijt en schoolbord. In: Eos, nr. 4, april 2015


Death by PowerPoint

Dit blogbericht vertrekt van enkele online artikels over de zin en onzin van presentatiesoftware en gaat dieper in op de achtergrond ervan. Zowel in de populaire artikels als in de wetenschappelijke artikels wordt een specifiek merk van presentatiesoftware genoemd, namelijk PowerPoint. Dit behoort tot de kantooromgeving, Office, van het bedrijf Microsoft. Ook in het dagelijks taalgebruik wordt dit voorbeeld van merkverwatering of antonomasia vaak gebruikt: om het leesgemak te bevorderen zullen ook in dit blogbericht de termen PowerPoint, slides of presentatiesoftware door elkaar gebruikt worden: de lezer weet dat dit ook geldt voor andere softwarepakketten.

Een eerste artikel wordt gelezen in de Huffington post. Laury Lever vertelt er over haar eerste ervaringen met het maken van een PowerPointpresentatie (Levy 2015). Ze geeft aan niet goed te weten hoe ze moet beginnen en vooral dat ze niet goed weet hoe ze haar boodschap moet overbrengen. Ze weet een ding zeker: hoe ze haar boodschap zeker niet wilt overbrengen. We worden meegenomen in de technische hinderbaan bij het maken en bij het geven van haar presentatie. Jammer genoeg weten we niet hoe haar presentatie afloopt en of ze haar publiek heeft kunnen boeien. We krijgen wel nog een quote van Edward Tufte mee:
"PowerPoint is a competent slide manager and projector. But rather than supplementing a presentation, it has become a substitute for it. Such misuse ignores the most important rule of speaking:Respect your audience." (Edward Tufte, in Levy 2015)

In een tweede artikel, van Paul Smith en Tony Boyd op The Australian Financial Review, wordt melding gemaakt van verschillende directeurs en managers die PowerPoint weren  (Smith & Boyd, 2015). Het gaat hier om het misbruik van de presentatiesoftware: voor elke vergadering of voor elk voorstel wordt een presentatie gemaakt. Het voelt volgens de managers die aan het woord zijn aan als een verplicht nummertje zonder meerwaarde. Andere managers erkennen dit misbruik maar geven aan dat het de tool niet verweten moet worden dat er slecht werk mee wordt gedaan; ze stellen dat presentatiesoftware zoals PowerPoint zeker zijn waarde heeft in de bedrijfsomgeving.

Een derde artikel tenslotte, door Ward Neyrinck en Ide Smets geschreven voor het Leuvense studentenblad Veto, klaagt de slidecultuur (sic.) aan (Neyrinck & Smets, 2008). Te veel docenten zouden slides gebruiken. De bedoeling is om de hoorcolleges te ondersteunen met illustraties maar te veel worden de slides gebruikt als vervanging van de uitleg in de les, slides worden gewoon afgelezen. Daarnaast vervangen de slides ook steeds meer de handboeken of cursusteksten. Dit is het slechtste van twee werelden: de slides bevatten te veel informatie om als ondersteuning van de hoorcolleges te functioneren maar te weinig informatie om als vervanger van het klassieke leermateriaal door te gaan. Ook in dit artikel wordt weer het misbruik van presentatiesoftware, vaak als gemakkelijkheidsoplossing, aangekaart.

Naast deze artikels op populaire media zijn er ook wetenschappelijke artikels verschenen over dit vermeend misbruik van presentatiesoftware. Een onderzoek uit 2003 (Bartsch & Cobern) onderzoekt of leerlingen meer leren van een, in die tijd nog veelgebruikte, overheadprojectie van transparanten of van een presentatie met het toen nog nieuwe PowerPoint. Hoewel het onderzoek enigszins gedateerd is kunnen de conclusies over het leereffect zeker nog nuttig zijn. De onderzoeksmethodes worden hier dan ook niet besproken, daarvoor wordt verwezen naar het artikel over het onderzoek zelf.

De eerste conclusie is dat leren voor studenten met een goed ruimtelijk inzicht bevorderd wordt door de illustratie met figuren, in vergelijking met droge tekst. Voor leerlingen met minder ruimtelijk inzicht is er geen significant verschil waarneembaar, ook niet in negatieve zin.

Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat rijke media, zoals die gebruikt kunnen worden in presentatiesoftware verschillende leerstrategieën kunnen aanspreken en dus voor verschillende leerlingen meer leereffect kunnen bereiken. Dit is vooral het geval voor leerlingen die weinig voorkennis van het onderwerp hebben: voor leerlingen die al veel voorkennis hebben is de rijke media geen toevoeging ten opzichte van de zuivere tekstuele voorstelling.

Tenslotte wordt ook de mening van de studenten zelf gevraagd. In het begin van het semester zijn de studenten enthousiast maar naarmate het semester vordert daalt dit enthousiasme. Dit bevestigt de vaststellingen in de drie eerst genoemde artikels: overdaad schaadt. Een belangrijke opmerking in het artikel is dat illustraties helpen maar dat enkel gerelateerde illustraties een positief leereffect tewerkstelligen: andere illustraties leiden alleen maar af.

Dit is het grote voordeel van presentatiesoftware: complexe of ingewikkelde begrippen of verbanden kunnen duidelijk gemaakt worden aan de hand van eenvoudige figuren waarin stap voor stap een redenering wordt opgebouwd. Er moet echter worden nagedacht hierover: presentatiesoftware gebruiken zonder dit te doen voegt weinig toe aan het leereffect en kan zorgen voor verveling door gewenning, ofwel Death by PowerPoint.


Bronnen:
Bartsch, R.a & Cobern, K.M., 2003. Effectiveness of Powerpoint Presentations in lectures. Computers and Education, 41(1), pp.77-86.

Levy, L., 2015. When PowerPoint Is Pointless. The Huffington Post. Available at: http://www.huffingtonpost.com/laurie-levy/when-power-point-is-pointless_b_6888410.html.

Neyrinck, W. & Smets, I., 2008. Zin en onzin van slides: “Fastfood voor het brein.” Veto, p.3417. Available at: http://www.veto.be/jg32/102-jaargang-34/veto-3417/1760-over-zin-en-onzin-van-slides-qfastfood-voor-de-hersensq.

Smith, P. & Boyd, T., 2015. Westpac boss ends “death by PowerPoint.” The Australian Financial Review. Available at: http://www.afr.com/leadership/management/productivity/westpac-boss-ends-death-by-powerpoint-20150312-1424rl.

Onderwijs en technologie: hebben we een match?

1. Samenvatting

“Schrijf een blog over onderwijstechnologisch nieuws.” Maar waar te beginnen als je, net als ik, een wat knullige technologieleek bent? Er zijn zoveel ontwikkelingen binnen het veld dat het soms moeilijk is om een overzicht te houden. Een overzicht is dus net wat ik nodig heb.

Ik bespreek enkele technologische ontwikkelingen binnen het talenonderwijs aan de hand van het artikel Technologies for foreign language learning: a review of technology types and their effectiveness (… et al, 2014). In het artikel worden de recentste technologieën binnen het talenonderwijs aan een grondig onderzoek onderworpen. Ook wordt de sterkte van de technologieën bekeken. Hoe verbeteren de technologieën de leerprestaties? In hoeverre is er wetenschappelijke bewijs voor de doeltreffendheid van de technologieën? Ik concentreer me in deze post op twee technologische ontwikkelingen in het veld: de interactieve lesborden en de virtuele wereld of de game.

Het interactieve lesbord werd voornamelijk geëvalueerd op basis van kwalitatieve studies waarbij de data verkregen werd door evaluatie van de gebruikers, bijvoorbeeld met interviews en vragenlijsten. De interactieve lesborden kunnen, volgens de resultaten van sommige studies, het geheugen van leerlingen verbeteren, hen een grotere geven en stimuleren om de geziene leerstof te herhalen. Niet alleen waren zowel leerkrachten als leerlingen positief, de interactieve lesborden lijken ook een soort van wow-effect mee te brengen.  

Bij de virtuele wereld of de game zijn de auteurs kritischer. Er lijkt nog geen bewijs te zijn dat het leren in een virtuele wereld doeltreffender is dan met traditionele onderwijsmethodes. De leerlingen geven wel affectieve redenen voor het gebruik van een virtuele wereld: ze vinden het bijvoorbeeld aangenaam om met een virtuele omgeving te werken. Verder geven enkele studies wel aan dat de leerlingen beter kunnen worden in bepaalde aspecten van taalonderwijs aan de hand van een virtuele wereld. Het is echter onduidelijk of de leerlingen met een virtuele wereld beter af zijn dan de leerlingen zonder.

De auteurs concluderen dat onderzoekers vaak affectieve argumenten gebruiken om hun argumentatie rond de doeltreffendheid van technologische ontwikkelingen te ondersteunen. Ze concentreren zich daarbij te vaak op affectieve reacties van leerlingen zonder te onderzoeken of de technologieën ook effectief een verhoogd leerrendement met zich meebrengen. De auteurs sporen daarom anderen aan om met empirisch onderzoek te kijken naar de doeltreffendheid van nieuwe onderwijstechnologieën ten opzichte van traditionele methodes.

2. Reflectie

Het lijkt me vanzelfsprekend dat nog niet alle nieuwe onderwijstechnologieën aan grondig wetenschappelijk onderzoek zijn onderworpen, aangezien de technologieën nog zo recent zijn. Toch leek het me interessant om te kijken naar twee technologieën die in België en over de hele wereld met mondjesmaat aan belang toenemen.

De interactieve lesborden zijn een eerste interessante ontwikkeling binnen de onderwijstechnologie waar we in België meer mee geconfronteerd worden. Hoewel ik net als de auteurs denk dat interactieve lesborden een meerwaarde kunnen bieden, stel ik me soms toch de vraag of de meerwaarde wel opweegt tegen de kost. Zoals in de wiki van onderwijstechnologie wordt vermeld, zijn er wel wat nadelen. De interactieve lesborden zijn kostelijk en kunnen -in tegenstelling tot een ouderwets schoolbord- crashen. Het is ook niet altijd eenvoudig voor leerkrachten en scholen om de stap naar deze nieuwe technologie te nemen. Wat me wel aanspreekt zijn de enorme mogelijkheden die de borden op didactisch vlak bieden. Het wordt voor een leerkracht eenvoudiger om leerstof actief en gevarieerd aan te bieden. Volgens de leerpiramide van Bales kunnen we de hoogste leerresultaten halen bij leerlingen door hun actief onderwijs aan te bieden aan anderen. Met de interactieve lesborden is het eenvoudiger voor een leerkracht om leerlingen hierin te ondersteunen.

Op het gebied van games en virtuele werelden hebben al enkele van mijn medebloggers hun licht laten schijnen. Wat daarbij duidelijk naar voor komt, is dat het wetenschappelijk onderzoek en de knowhow hierover nog in haar kinderschoenen staan, en dat de ervaring ontbreekt. Dat neemt niet weg dat het best leerrijk is om elke leerkracht binnen zijn/haar mogelijkheden te laten nadenken hoe we games kunnen implementeren in onze lesopdracht. In mijn zoektocht naar informatie vond ik een boeiende YouTube-video ‘Classroom Game Design: Paul Andersen at TEDxBozeman’ terug. Wat ik zo fascinerend vond, was niet alleen dat meneer Andersen de game uitprobeerde als nieuwe technologie in zijn klas, maar vooral dat hij ook stil stond bij mogelijke verbeteringen.

Als leerkracht is het steeds onze taak om stil te staan bij onze lespraktijk en te zoeken naar verbetering. Of dat nu op met traditionele middelen of technologie gebeurt, is bijzaak.

3. Bronnen

Ewa M. Golonka , Anita R. Bowles , Victor M. Frank , Dorna L. Richardson
& Suzanne Freynik (2014) Technologies for foreign language learning: a review of technology types and their effectiveness, Computer Assisted Language Learning, 27:1, 70-105, DOI: 10.1080/09588221.2012.700315

Classroom Game Design: Paul Andersen at TEDxBozeman, geraadpleegd op 1/04/2015 via  https://www.youtube.com/watch?v=4qlYGX0H6Ec


Onderwijstechnologie/Elektronische leeromgevingen wikipedia, geraadpleegd op 1/04/2015 via http://nl.wikibooks.org/wiki/Onderwijstechnologie/Elektronische_leeromgevingen  

De weg naar de toekomst?


De integratie van ICT in het onderwijs en meer bepaald hoe het Creative Classrooms Lab project ons hierbij op weg kan helpen, is het thema van vandaag.
Het project vult namelijk verschillende noden in, waar jongeren vandaag de dag mee zitten. Zo komen jongeren buiten school steeds meer in contact met ICT, zonder dat ze hierover correct geïnformeerd zijn. We spreken dan niet enkel over het gebruik ervan, maar tevens over de veiligheid en de sociale normen die gepaard gaan met het gebruik van sociale platforms. Door veelvuldig gebruik in een veilige omgeving kunnen ze hier voeling mee ontwikkelen zonder blootgesteld te zijn aan de gevaren.

Verder staat de voorruitgang van ICT niet stil en is het interessant voor de jongeren om niet enkel buiten de lessen hiermee in contact te komen op een oppervlakkige manier, maar ook binnen de lessen die een meer technisch aspect zouden kunnen behandelen van het ICT gebeuren. Op die manier krijgen ze een globaler beeld van wat ze allemaal kunnen met hun apparaten en software. Dit gaat hen niet enkel sneller op weg helpen met het gebruik ervan, maar geeft hen ook een beter inzicht van de problemen en gevaren die ICT met zich mee kan brengen.

Een eerste stap!
In het schooljaar 2013-2014 werd het Creative Classrooms Lab project voor het eerst toegepast in vijf Vlaamse scholen als pilootproject. Deze scholen gebruikten tablets in de lessen om na te gaan hoe dit geïntegreerd kan worden in het pedagogisch project. De scholen konden verschillende scenario’s zoals Flipped classroom, samenwerking en samenwerking tussen verschillende scholen uitproberen.  Het pilootproject is recent afgelopen en de leerkrachten en leerlingen die hieraan meewerkten zijn alvast positief. Onderstaand filmpje toont enkele reacties van de verschillende scholen op het project.



Wat mij als leerkracht erg opvalt in dit filmpje, is de nood aan ondersteuning van de leerkrachten. Per school zijn enkele leerkrachten specifiek opgeleid voor dit project. De middenschool van het GO in Ieper gaf het project vorm in een apart vak “Actief leren met ICT”. De oudervereniging heeft geïnvesteerd in Ipad’s zodat niet enkel de leerlingen uit gegoede leerlingen aan dit project konden meewerken maar wel alle leerlingen met interesse in ICT. Als wetenschapper, vind ik het ook fantastisch dat ze kinderen al zo jong met allerlei technieken zoals 3D-printen en programmeren in contact brengen


  • Bern Martens, Ethiek en veiligheid in de computerklas, in Gombeir, D. e.a. (red.), ICT en onderwijsvernieuwing, Mechelen, Wolters-Plantyn, 2003, rubriek Maatschappelijke uitdagingen, 24 blzn.
  • http://creative.eun.org/
  • http://mediawijs.be/nieuws/creative-classroom-labs

Opzoek naar kennis buiten het klaslokaal met behulp van geocaching

Opzoek naar kennis buiten het klaslokaal met behulp van geocaching.


Enkele weken geleden heb ik deelgenomen aan de studiedag “move your brain”.Hier ben ik in contact gekomen met het concept “geocaching”. De opzet van geocaching is het creëren van een wereldwijde schattentocht waar gebruik wordt gemaakt maken van GPS-toestellen. 


Hoe kan men deze technologie toepassen in ons onderwijssysteem? Dit hoeft men niet al te ver te gaan zoeken. Denk maar aan de lessen aardrijkskunde of natuurwetenschappen, biologie en zelfs lichamelijke opvoeding.
In verband met het vak aardrijkskunde botste ik op een artikel waar ze onderzoek hebben gedaan naar de mate waarin geocaching al dan niet een effect zou hebben op het ruimtelijk denken en de sociale vaardigheden.

Samenvatting “Geocaching“ as a Method to Improve not only Spatial but also Social Skills.


Het concept van dit onderzoek vindt zijn oorsprong in de denkwijze van Gilbert M. Grosvenor. Hij is ervan overtuigd dat de basisvaardigheden, nodig voor de oriëntatie in het veld, gelinkt kan worden aan iemands levensoriëntatie. Hieruit vloeit ook een bekende uitspraak van Grosvenor voort, namelijk "Je bent nergens, tenzij je weet waar je bent".

Opzet

Leerlingen uit twee verschillende Duitse scholen (een school uit het buitengewoon onderwijs en een gewone secundaire school) namen deel aan verschillende geocaching activiteiten. Deze vonden plaats op twee locaties, in het centrum van München en in een bosrijk gebied aan de noordelijke rand van München.
Het was de bedoeling dat de studenten, verdeeld in kleine groepjes de verschillende caches opspoorden. Dit gebeurde op twee verschillende manieren, de ene groep zocht hun caches met behulp van een gps. De andere maakten gebruik van kaarten.

Onderzoeksdoel

Dit project onderzoekt verschillende aspecten in verband met de ruimtelijke oriëntatie, namelijk:
  • Het gebruik van gps t.o.v. analoge kaarten met hun betrekking op oriëntatie,
  • Hebben activiteiten buiten het klaslokaal een bevorderende werking op de ruimtelijke kennis?
Buiten het ruimtelijke aspect gaan ze ook kijken naar de sociale ontwikkelingen namelijk:
  • Het verschil tussen de studenten uit verschillende schooltypes (buitengewoon vs. gewoon onderwijs).

Resultaten


Zowel de leerlingen die gebruik maakten van de gps, als diegenen die met de kaart moesten werken, hadden een enorme plezierbeleving. Competenties i.v.m. het gps gebruik stegen. Een logische verklaring, gezien de technologische kennis van de jeugd. Hetzelfde fenomeen vond echter ook plaats bij diegenen die gebruik maakten van de analoge kaarten. Dit terwijl het gebruik van deze kaarten in het dagelijkse leven uitzonderlijk is.

Er was een merkbare verbetering te merken bij de studenten, qua ruimtelijke vaardigheden zoals: positiebepaling, snelheids- en richtingservaring, inschatten van tijd en afstand,
Als we het sociaal aspect gaan bekijken, zien we dat de leerlingen een groter zelfvertrouwen krijgen door het ontwikkelen van nieuwe technische vaardigheden. 

Tijdens deze vorm van activiteit is het niet uit te sluiten dat bepaalde leerlingen de leiding gaan nemen. Wat opviel was het feit dat het niet de typische leidersfiguren van de klas waren die dit deden, maar eerder de zwakkeren van de klas.

Het geocaching-project toont aan dat leerlingen ervaringen en verschillende vaardigheden verwerven die ze niet in de gewone klassituaties zouden verkrijgen.

Reflectie

Er is een chinees gezegde dat stelt: “ Ik hoor en ik vergeet, ik zie en ik onthoud, ik doe en ik begrijp.” Dit project is hier een goed voorbeeld van. De idee dat leerlingen meer leren wanneer ze bij tijd en wijle eens aan de vier muren van hun klaslokaal worden onttrokken, klinkt heel interessant.

Het ontbreken van statische cijfers over de resultaten, doet afbreuk aan het onderzoek. Desondanks vind ik het concept (geocaching) van dit project zeer interessant. 

Het blijkt van toepassing te zijn voor zowel onderwijskundige doeleinden als voor sociale ontwikkeling.

Een waardevol aspect van geocaching is het feit dat je het kan aanwenden bij verschillende vakken. Zo bestaat er een volledige geocaching route in functie van wiskunde. Hierbij bevat elke cache een raadsel waar verschillende wiskundige thema’s aan bod komen.

Maar het belangrijkste in mijn ogen is dat de leerlingen plezier hebben terwijl ze leren. Een kind dat plezier heeft, zal veel gemotiveerder zijn tijdens de les.

Met andere woorden, kom van tussen die vier muren en ga al lerend op schattentocht!


Bibliografie


Heike ELLBRUNNER1, Friedrich BARNIKEL2 and Mark VETTER3. (2014). “Geocaching“ as a Method to Improve not only Spatial but also Social Skills: Results from a School Project.

https://www.geocaching.com/?guest=1. Geraadpleegd op 30 maart, 2015.

http://www.geocaching.be/web/nl/index.php. Geraadpleegd op 30 maart, 2015.