Posts tonen met het label differentiatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label differentiatie. Alle posts tonen

vrijdag 1 april 2016

Diddit en Bingel, klaar om het onderwijs te veroveren?

8 op de 10 scholen bingelen, 9 op de 10 leerlingen werken graag met het platform en 9 op de 10 leerkrachten bevelen bingel aan.




Bingel is een digitaal oefenplatform voor lagereschoolleerlingen dat in 2015 de prijs voor het ‘ICT Project of the Year’ in de wacht sleepte. Bingel werd in 2011 ontworpen door de Antwerpse uitgeverij Van In en won sindsdien razendsnel aan populariteit. Het grote voordeel van bingel bestaat erin dat leerlingen op zelfstandige basis oefeningen maken. Daarnaast kunnen de leerkrachten de vooruitgang van elke leerling meten aan de hand van een zogenaamd ‘dashboard’ dat een overzicht biedt.


In het begin van het schooljaar 2015-2016 lanceerde Uitgeverij Van In een soortgelijk platform voor het middelbare scholieren, Diddit. Zo’n 300 Vlaamse en Brusselse scholen begonnen met het gebruik Diddit bij aanvang van het nieuwe schooljaar. Wat de resultaten zijn van dit project is voorlopig nog afwachten.

Reflectie:

“Leerkrachten en scholen worden geconfronteerd met veel uitdagingen. Leerkrachten staan voor heel diverse klassen en er wordt van hen verwacht dat ze maatwerk en een gepersonaliseerde aanpak leveren. Met bingel ondersteunen we leerkrachten daarin.” aldus Winfried Mortelmans, algemeen directeur van Van In.

Diversiteit wordt steeds meer de norm binnen ons onderwijs. Uit het boek ‘Superdiversiteit. Hoe migratie onze samenleving verandert.’ van Dirk Geldof blijkt dat 44% van de Antwerpenaren wortels heeft in migratie. Op de schoolbanken loopt dit percentage zelfs op tot 70%. Deze superdiversiteit heeft logischerwijs tot gevolg dat er steeds meer ingezet moet worden op differentiatie in de klas. Het feit dat bingel de oefeningen aanpast aan het niveau van de individuele leerlingen laat de leerkracht toe om te differentiëren afgaand op de persoonlijke onderwijsbehoeften.



Het leerplatform Bingel wordt naast door leerkrachten en leerlingen ook erg gesmaakt door ouders die zich vaak zorgen maken over het digitaal gedrag van hun kinderen. Deze blijk voor goedkeuring is hoogstwaarschijnlijk te wijten aan de gebruiksvriendelijkheid en betrouwbaarheid van het platform. Daarnaast kunnen ouders (indien zij dat wensen) betrokken worden in het leerproces via een account die hen toelaat om de resultaten en moeilijkheden van hun kinderen te bekijken. Op die manier blijven de ouders op de hoogte van de resultaten en eventuele moeilijkheden van hun kinderen.

Een ander element dat de tevredenheid en motivatie van de leerlingen in de hand werkt is het gamification-aspect van bingel. Wanneer leerlingen oefeningen correct maken verdienen ze zogenaamde “pingping” die hen dan toelaat om leuke spelletjes te spelen. Op die manier ontstaat er een soort “eerlijke competitie” tussen de leerlingen onderling aangezien ze credits verdienen voor het aantal correcte oefeningen die gemaakt worden, ongeacht het niveau. Van Roy (2015) beschrijft gamification van het onderwijs als het toevoegen van game-elementen aan een context die in se niets met games te maken heeft, zoals het onderwijs. Typische elementen van games zijn het belonen en uitdagen van leerlingen. 

Deze beloningen spelen voornamelijk in op de extrinsieke motivatie van studenten. Ze maken wiskunde-oefeningen om extra punten, ‘credits’ te verkrijgen. Dit lijkt mij enerzijds iets positiefs aangezien ongemotiveerde leerlingen op die manier toch gemotiveerd kunnen worden. Anderzijds lijkt het mij als leerkracht toch ook noodzakelijk om de leerlingen intrinsiek te motiveren, hen te prikkelen en hen te enthousiasmeren. Uit onderzoek (Van Roy, 2015) blijkt immers dat extrinsieke motivatie de aanwezige intrinsieke motivatie vaak onderdrukt. Bingel kan de leerlingen dan wel tijdelijk warm maken of motiveren maar op die manier zullen ze misschien niet meer voor zichzelf studeren, maar voor de beloningen die hieraan vasthangen. Uit dit onderzoek bleek met andere woorden dat gamification de motivatie en interesse tijdelijk kan verhogen, dit is echter niet het geval voor de kennisoverdracht, die nog steeds groter is bij een klassieke les.

Uit onderzoek van het Instituut voor Mediastudies van de KULeuven (2015) blijkt dat in Vlaanderen 71% van de leerlingen internet gebruikt voor schooldoeleinden maar vaak gaat het in die gevallen om opdrachten die ze thuis moeten maken. Het percentage leerlingen die internet op school zelf gebruikt ligt veel lager. “Actief een smartphone gebruiken in de klas voor bepaalde taken of oefeningen blijft vooralsnog een sporadisch fenomeen” zo blijkt uit het onderzoek van Net Children Go Mobile- Online op school. Bingel en diddit zouden toelaten om het aantal gebruikers in de klas aanzienlijk te laten stijgen. Uit onderzoek van Livingstone blijkt dat hoe meer een kind gebruik maakt van het internet, hoe groter het aantal kansen waarmee het in aanraking komt (Livingstone, 2011). Het is met andere woorden voordelig om de leerlingen zo vaak mogelijk in contact te laten komen met internet, om hen zoveel mogelijk kansen te bieden. 


Conclusie
Diddit en bingel bieden talloze mogelijkheden voor de schoolgaande jeugd en voor leerkrachten. De grootste voordelen die deze digitale onlineplatforms bieden zijn de mogelijkheden tot differentiatie, de gebruiksvriendelijkheid, betrouwbaarheid, het handige opvolgingssysteem, het geleidelijk in contact komen met de digitale wereld en de gamification. Dit laatste element omvat zowel een voordeel als een nadeel aangezien de gamification de tijdelijke extrinsieke motivatie van de leerlingen kan verhogen maar tegelijkertijd de intrinsieke motivatie (gedeeltelijk) onderdrukt. 




Bronnen

Belga. (2015). Uitgeverij Van In lanceert online leerplatform voor middelbaar onderwijs. Geraadpleegd op 31/03/2016, van

Belga. (2016). Belgische educatieve uitgever rolt digitaal leerplatform uit in Finland. Geraadpleegd op 31/03/2016, van http://www.gopress.be/Public/index.php?page=archive-article&issueDate=2016-02-04&articleOriginalId=belgabelga783724114022016-00000&q=bingel

De Cat, K. (2016). Van In leert Bengels Bingelen. Geraadpleegd op 31/03/2016 van Van In leert Bengels Bingelen, van http://www.gopress.be/Public/index.php?page=archive-article&issueDate=2016-03-24&articleOriginalId=trendsroulartatr1612-0541xml24032016-00000&q=bingel

Geldof, D. (2015) Superdiversiteit. Hoe migratie onze samenleving verandert.  Acco, Leuven.

Van de Stadt, K. (2014). Leerplatform Bingel kampt met capaciteitsproblemen. Geraadpleegd op 31/03/2016, van http://datanews.knack.be/ict/nieuws/leerplatform-bingel-kampt-met-capaciteitsproblemen/article-normal-434765.html

Van Leemputten, P. (2014). Belgisch leerplatform bingel valt in de prijzen. Geraadpleegd op 31/03/2016, van http://datanews.knack.be/ict/nieuws/belgisch-leerplatform-bingel-valt-in-de-prijzen/article-normal-562909.html

Van Roy, R. (2015). Spelenderwijs. Acco, Leuven.

Ysebaert, T. (2015). ‘De tafels doen ze veel liever met Bingel’. Geraadpleegd op 31/03/2016, van http://www.standaard.be/cnt/dmf20150913_01864542

woensdag 30 maart 2016

Onderwijstechnologie en de markt voor onderwijs


Om het onderwijs met zijn rol in sociale reproductie te helpen breken, kan je onder meer leerlingen in diversiteit laten opgroeien, en klassen, of op zijn minst de schoolpopulaties zo samenstellen dat ze een representatieve staal zijn van de diversiteit die in de maatschappij aanwezig is. Als je vervolgens ook nog het leven in die scholen zo stimuleert, dat de diversiteit als een ethisch genietbaar gegeven aangevoeld kan worden, en individuele merite berekend wordt op basis van je inspanning voor het samenleven eerder dan competitie tussen individuen, dan ben je al een heel stuk op weg, naar een duurzame socio-ecologie. Hieronder deel ik een eerste verkenning die ik voerde, met het oog op een visie omtrent hoe onderwijstechnologie daarbij fundamenteel van betekenis kan zijn.

Diversiteit als ambitie van onderwijsministeries

Bij deze abstracte principes hoort hier wellicht al een beetje concrete actualiteit. In het onderwijs van de Franstalige gemeenschap is ondermeer met het oog op representatieve schoolpopulaties het inschrijvingsdecreet pas nog aangepast. Of zal werken, daarover lopen de meningen uiteen. In Frankrijk lopen de inschrijvingen al veel langer volgens een centrale overheidsregeling, maar vele achterpoortjes en geografische gettovorming die niet door huisvestigingspolitiek gecounterd wordt, maakt dat het principe van de diversiteit niet doortastend kan gerealiseerd worden.
In het door de de Nederlandstalige gemeenschap gesubsidieerd onderwijs, bestaan ook heel wat regelingen, die de sociale reproductie moeten tegenwerken. Het GOK-decreet is met dat doel in het leven geroepen. Louter economische selectie van het leerlingenpubliek zou scholen ook moeilijker gemaakt moeten worden, met het principe van de maximumfacturen. Helaas, in de praktijk vinden scholen nog achterpoortjes, om toch een elitecultuur te blijven reproduceren. Misschien is een meer systemische aanpak nodig. Daarmee bedoel ik onder andere, dat wat in de klas gebeurt en hoe het onderwijs geörganiseerd wordt in zijn wisselwerking moet gezien worden. Hierboven sprak ik al van "het leven op school", en binnen een systemische aanpak betekent dit een zoektocht naar leerinhouden die verder dan het principe van "betrekking op de leefwereld van de leerling" gaan. Wat in de klas gebeurt is niet enkel een deel van wat in het onderwijs gebeurt, het is ook integraal deel van de samenleving. Kennisproductie in diversiteit, betekent dus maximaal inspelen op de actuele en voorzienbare maatschappelijke bekommernissen van individuele leerlingen, en dit met het oog op maximale maatschappelijke participatie op lange termijn.

Hoe dan ook, als je er vandaag in slaagt een diverse klas bij elkaar te brengen, dan is de volgende uitdaging natuurlijk, er ook een degelijke leeromgeving aan te bieden, gepast voor dat publiek. Ik ga hier niet in op de vraag of de manier waarop vandaag differentiatie in praktijk gebracht wordt, effectief de hier boven gestelde ambities kan waarmaken. Ik neem uit de lopende discussie omtrent differentiatie enkel mee dat er mogelijk meer belang zal gegeven moeten worden aan individuele begeleiding van leerlingen. Vandaag steigeren vele praktijkwerkers in het onderwijs nog bij de gedachte dat het onderwijs richting individuele leertrajecten zou evolueren. Dat is begrijpelijk: de middelen voor die evolutie ontbreken.

Maar een leerkracht die zijn taak als onderzoekende medewerker van een heel instituut serieus neemt, kan er niet om heen, dat er toch al heel wat technologie bestaat die zulke individualisering zou kunnen ondersteunen. De leerkracht en ieder die in de klas staat, kan dan mee een rol opnemen in het bouwen van een visie over de wenselijkheid van zulke geïndividualiseerde didactische vormgeving en dan eventueel ook  over de weg daar heen.
Met deze post wil ik aftasten of de hoop die we – en misschien net nog meer de economisch bevoordeelde lagen van de maatschappij – stellen in efficiëntie door middel van technologie, kan gekanaliseerd worden om in het onderwijs de motivatie aan te wakkeren voor onvoorwaardelijke egalitaire ethiek.

 Waar kan een systemische aanpak beginnen?

De rol van de academishe wereld in het participatief maken van de kennisindustrie en meer bepaald de ICT-industrie kan niet ontkend worden. Open-source en vrije software zijn daar ontstaan. Nu de roep luider en luider klinkt, om kennisindustrie in het algemeen haaks te bouwen op de economie die rond privé-bezit draait1, is misschien de tijd rijp, om in universiteiten verder te werken aan een systemische rol voor ICT in het bouwen van een open samenleving. Het ligt, mijns inziens, dan ook voor de hand, de rol van ICT in het onderwijs en vooral de investering vanwege de academie in de ontwikkeling van die onderwijstechnologie intensiever te gaan ontwikkelen. Ik wil in deze bijdrage tot een kritische blik uit nodigen op enkele mogelijke pistes die vandaag al zichtbaar zijn wat betreft ICT en in het algemeen technocratische2 instrumenten, richting onderwijs in en voor diversiteit. Ik geef in de paragraaf "Een School als Venture Capital investering" eerst een voorbeeld van het problematisch karakter van prive-ondernemingen in het ontwikkelen van onderwijstechnologie. Daarmee hoop ik al één argument te geven voor een grotere publieke investering (dus via openbaar tertiair onderwijs) in die ontwikkeling. Vervolgens trek ik het begrip onderwijstechnologie wat verder open, om nog meer ruimte voor academische ontwikkeling te suggereren.
By Richard Barbrook (Author) [CC BY-SA 3.0 (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)], via Wikimedia Commons

Een School als Venture Capital investering

Niettegenstaande mijn intentie het onderwijstechnologisch veld open te trekken, loopt de eerste piste die ik hier wil onder ogen brengen, toch al de klas binnen. In het magazine The New Yorker verscheen onlangs een artikel over een netwerk van kleinschalige privé-scholen die onder de naam Altschool als laboratorium opgericht zijn, voor experimenten met monitoring- en coachingtechnologie en het verder ontwikkelen van Learning Management Systems. Privé rijmt hier zeker nog niet met democratisering. Altschool richt zich op een high end niche-markt. De onderneming is dan wel opgericht met venture-capital en zou ondertussen zo een $130 miljoen bij elkaar gebracht hebben, het schoolgeld bedraagt nog een slordige $30.000. Oprichter is Max Ventilla, een ex-google topspeler. Hij brengt dan ook een hoop ICT-inzicht naar het onderwijswereldje dat hij in het leven riep. De scholen bieden onderwijs in zeer kleine klasjes, een in hoge mate geïndividualiseerde leertrajecten. De klas wordt voortdurend gefilmd door verschillende camera's. Ventilla's ambitie is dan ook een toepassing van big data in de leeromgeving: automatisering van gedragsherkenning in de massa op video vastgelegde leerhandelingen. De laboratoriumscholen worden omkaderd door een leger ICT-ontwikkelaars, die aps trachten te schrijven, om de rol van de leerkracht-coaches te ondersteunen. Wie meer wil weten over de technologie die Altschool ontwikkelt en al toepast, verwijs ik naar de site van Altschool zelf. Echter klinkt het bericht dat New Yorker magazine brengt over de technologische vooruitgang die Altschool's ontwikkelaars maken eerder als een komische sketch.
Ventilla's filosofie klinkt dan wel weer bemoedigend:
Iets dat beter werkt voor 70% van de kinderen en slechter voor de overige 30% – dat is niet aanvaardbaar voor ons." (Ventilla in "The rise of altschool and other micro-schools", Michael B. Horn, EducationNext )
Ventilla wil blijkbaar een Universal Learning Design ontwikkelen voor een didactisch model gebaseerd op geïndividualiseerde leertrajecten. Het gelinkte artikel van EducationNext somt een aantal snufjes op, die we binnen afzienbare tijd in de klas kunnen benutten.
In het curriculum van Altschool is ook plaats voor een systemische, trans-disciplinaire lesinhoud. The Newyorker beschrijft een klas die in een simulatiespel verwikkeld is, waar verschillende staatsvormen verkend worden en economische problemen onderzocht worden – een gelegenheid om wat wiskunde te oefenen ook. Wetenschap, technologie en samenleving in hun onderlinge afhankelijkheid bestudeerd dus.
De economische logica achter Altschool zelf is echter niet duidelijk op de webpagina van altschool. Ook in de omgeving ervan wordt er ook niet echt ruimdenkend voor geargumenteerd (opnieuw EducationNext maakt de vergelijking met het business model van een vleeswarengigant die volledig volgens de proprietory logica draait)
Conclusie: Altschool functioneert binnen de klas misschien wel op basis van een grote waardering van de diversiteit van zijn leerlingen – enkele beurs-studentjes mogen daar weliswaar ook van genieten – maar er is nog een lange weg te gaan, opdat het begrip diversiteit ook die 100% in rekening brengt, waarop Ventilla zich beweert te richten.
Een ander ICT Learning Management System is Jeffrey Katzman's Core Learning Exchange project. De eerste indruk die je krijgt van de onderneming van Jeffrey Katzman, lijkt al meer de goede richting in te gaan. Katzman brengt opensource, free en gecommercialiseerde software-ontwikkeling samen in één bedrijf. Ook gaat hij met Horn van EducationNext in discussie via een commentaar op Horn's artikel: Katzman reageert betreffende de noodzaak aan gemeenschappelijke standaards, om de producten van ontwikkelaars van Learning Management Systems te laten interageren. Het eerste zoekresultaat dat Google echter levert, wanneer je je voor Katzman's Core Learning Exchange project interesseert, is de copyright-policy pagina.
Dan maar rechtstreeks op het doel af en eens "open source LMS" gegoogeld... Aan de lezer om na te gaan waar er werk aan de winkel is.

Mathematische modelering van en voor democratische participatie: een speculatie over speltheorie, serious gaming en zelfgestuurd Leren- leren op lange termein

De instorting van economische kaartenhuizen geconstrueerd met monopolies op ICT en kennis – met name de virtuele financiële economie – voelt de ene al meer dan de ander. Kan die recente gebeurtenis, en de hele geschiedenis van pogingen tot economische technologie toch ook een impuls zijn, om de techniek erachter voor betere doeleinden in te zetten? Wie weet ligt de kiem voor een antwoord op die donkere fase van de kennisindustrie, in recent onderzoek binnen spel-theorie, en toepassing ervan met het oog op eerlijke distributie van goederen en democratische participatie. Steven J. Brams is een onderzoeker die op dat terrein heel wat baanbrekend werk leverde. Ik verwijs naar een bespreking van zijn laatste boek, voor een toegankelijke inleiding tot zijn werk. Zelf wil ik hier slechts kort speculeren over de toekomst van het onderwijs op basis van de mogelijkheid complexe maatschappelijke gegevens die tot het domein van de humane wetenschappen behoren, degelijk met wiskunde te modelleren. Eens een situatie gemodelleerd is, kun je er simulaties van maken en alternatieve pistes onderzoeken waarlangs "het spel van de maatschappij" had kunnen verlopen. De noemer "spel-theorie" suggereert nu letterlijk de mogelijkheid realistische ICT-spelomgevingen te ontwikkelen, waarin spelers de invloed van persoonlijke beslissingen kunnen ondervinden, en onderling beslisvaardigheid te vergelijken, of de geldende normen over beslissingscriteria kunnen toetsen tegen de beslissingen die de theorie als optimaal aanduidt. Zulke speeltjes bestaan voor het modelleren van min of meer complexe onderhandelingsprocessen. Er wordt in MBA cursussen wel degelijk binnen educatieve doeleinden mee gewerkt. De speculatieve vraag waarmee ik hier wil eindigen luidt nu:
Kun je een spel ontwikkelen waarmee je leerlingen zelf aan de slag kunt laten gaan, op zoek naar de beste verhoudingen tussen leerlingen met uiteenlopende kennis- een leer status. Kun je op school een kritische massa creëren, die zich bewust is van de fundamentele onderwijsproblematiek, en die later van de gemeenschap zal eisen dat naar een eerlijke verdeling van middelen gestreefd wordt, en een beter doordachte investering in de toekomst via onderwijs. Kun je van egalitair bewustzijn een echte marktspeler maken, op de openbare onderwijsmarkt?



1 De VUB zelf opende zijn interfacultaire lezingenreeks "Redelijk Eigenzinnig" nog met een het thema "Open Science"
2 De term "technocratie" wordt door de band als een etiket gebruikt voor de kwalijke gevolgen van het toenemend gewicht van techniek en technologie in de samenleving, of voor de manier waarop techniek als oplossing vooruitgeschoven wordt door ultraliberale politiek die de levensduur van consumptiemaatschappij wil rekken enerzijds, hetzij voor de "bureaucratische plaag" van links anderzijds. In deze verwijs ik echter naar een genuanceerde invulling van het begrip techniek en de rol ervan in de organisatie van de samenleving, zoals die bijvoorbeeld door Bernard Stiegler uiteengezet wordt.