vrijdag 29 maart 2013

De Steve Jobs-School


Op zoek naar een interessant artikel om te bespreken, botste ik op het concept van de Steve Jobs-school.

Saskia van Uffelen stond op 11 april 2012 in De Morgen met "Maak van elke school een Steve Jobs-school", een opiniestuk waarin ze verwijst naar een nieuw schoolconcept dat in Nederland zal worden gelanceerd vanaf augustus 2013. Nu, wat houdt zo'n Steve Jobs-school precies in?

Wel, het initiatief komt namens het O4NT, Onderwijs voor Nieuwe Tijden, in Nederland. Zij stelden het eerste uitgewerkte Steve Jobs-schoolmodel voor op de Onderwijsdagen in Rotterdam. Vanwege hun verbazing over de achterstallige innovatie in het onderwijs, kwamen ze met dit model op de proppen.  




                                
De STEVE JOBS-SCHOOL zou er gaan uitzien als volgt:

- Kinderen moeten worden voorbereid voor 2025 en daarna. Er wordt ruimte gecreëerd voor een brede ontwikkeling van de talenten van elke leerling. Het gebruik van digitale mogelijkheden staat daarin centraal. Men wil vooral de kinderen aanleren hoe ze goed kunnen functioneren in de wereld van morgen.

- Basis: vertrouwen in het kind (niet dwingend vanuit gesloten opdrachten, maar wel gerichte opdrachten binnen zijn interesseveld)

- Optimale condities om kinderen maximale ruimte te geven.

- iPads om het leren naar het unieke kind te personaliseren, een eigen virtuele plek voor elke leerling, een manier om te communiceren met leerkrachten, ouders, leerlingen, de wereld binnen en buiten de school, als tool voor presentaties, foto's, video's, zoekrobotten, programmeertools, etc.

Via de iPad is de leerling ook buiten het fysieke schoolgebouw regelmatig verbonden met de school. Hij krijgt zo begeleiding van een coach, kan projecten uitvoeren op andere locaties als hij afwezig is, en de resultaten daarvan presenteren wanneer hij terug op school is. Een leerling kan dus in afspraak met een leraar buiten schoolvakanties om met zijn ouders op reis om te leren over vreemde culturen en/of de natuur. Zijn coach checkt echter wel of hij daadwerkelijk iets bijleert. Eens terug op school kan de leerling zijn nieuw verworven kennis delen met zijn medeleerlingen aan de hand van bijvoorbeeld een slideshow-presentatie.

- Het wordt een school die zowel fysiek (schoolgebouw) als virtueel is, overal en altijd.

- Geen frontaal onderwijs, jaargroepen of lokalen, wel ateliers, stamgroepen en projectgericht werken.

- Kerndoel is om skills van de 21ste eeuw aan te leren zoals communicatie, samenwerken, ICT-geletterdheid, kritisch denken, probleemoplossend denken, etc. De iPad zou de schakel moeten vormen tussen het opdoen van kennis en digitale vaardigheden binnen en buiten de school.

- 'Community' staat centraal. De ouders en de school vormen pedagogische en didactische partners. De leerlingen worden gemotiveerd door de betrokkenheid van hun ouders en vice versa. De betrokkenheid en bijdrage van de ouders wordt reeds bij de inschrijving van de leerling besproken en vastgelegd in een overeenkomst.
Ook binnen het onderwijsteam worden er ervaringen en ideeën uitgewisseld over de schoolwerking en onderwijsvernieuwing.

- Coaches begeleiden en stimuleren de leerlingen intensief, zodat deze het maximale uit zichzelf halen.

- 1000 uur onderwijs op een traditionele school staat gelijk aan 4000 uur ontwikkeltijd op de Steve Jobs-school, thuis en elders.

- De medewerkers van de school beschikken zelf over de vaardigheden van de 21ste eeuw.

- De school creëert ruimte voor de specifieke leerbehoeften van iedere leerling. Inzet van de ouders is cruciaal. Om de 3 maanden wordt er een gesprek ingelast met de leerkracht, de leerling en de ouder. De ervaringen, plannen en doelstellingen van de periode worden daar besproken.

- Het wordt een plaats waar opvang en onderwijs geïntegreerd zijn, 50 weken per jaar, 5 dagen per week, van 6u30 tot 18u30. Zonder vaste schooltijden en vakantieperioden.
Tot 10u30 individueel of in kleine groepjes (iPad is dan heel belangrijk). Leerlingen kunnen er dus ook voor kiezen om pas om 10u30 op school te arriveren.
Tussen 10u30 en 15u00 zijn er gemeenschappelijke activiteiten, en daarna werken de leerlingen weer individueel of in kleine groepen aan ontspannende en creatieve vakken.

- Leerlingen moeten 100-200 van de 250 schooldagen aanwezig zijn. Die aanwezigheid hangt af van hun gezinssituatie, de behoefte van de ouders en het kind, het aantal uren die het kind leert in de virtuele school en de voortgang en ontwikkeling van het kind. Per kwartaal worden hierover afspraken gemaakt.

- De school is bedoeld voor 0-12 jarigen. Hun ontwikkeling wordt bijgehouden via output op de iPad. De focus ligt op de voortdurende bewaking van de ontwikkeling van het kind, en het aanbieden van een kwaliteitsvolle opleiding op het niveau van het kind.

- Maandelijks wordt er een "Gameday" georganiseerd. Een competitie op fysiek en virtueel niveau. Dit zou de samenwerking tussen de leerlingen stimuleren. Het gaat hier over sport- en kermisactiviteiten, creatieve uitdagingen, games en spellen of een bezoek aan een museum of een andere speciale locatie.

- Op 12-jarige leeftijd heeft de leerling zich ontwikkeld in alle vaardigheden van de 21e eeuw. Hij heeft zijn eigen talenten ontwikkeld, heeft zich sociaal-emotioneel ontwikkeld, en heeft de referentieniveaus van het Primair Onderwijs bereikt.

----------------------------------------------------------------------------------------------

Komend schooljaar worden er in Amsterdam en enkele andere gemeenten reeds een aantal scholen omgevormd tot Steve Jobs-scholen. Saskia Van Uffelen, CEO van Bull Belux en bezieler van het project 'IT is cool', vindt dit alleszins een grote inspiratie. Zo blijkt uit haar opiniestuk. Het luidt : "Extreem innovatieve ideeën zijn nodig voor een snellere evolutie. Het idee van een Steve Jobs-school is misschien in België niet meteen realiseerbaar, maar het zet aan tot reflectie." Ze geeft aan dat kinderen tegenwoordig heel anders kijken tegen ICT en technologie, dan hun ouders. Ze zijn er in hun dagelijks leven zo mee vergroeid dat ze het niet langer beseffen. Ons huidige onderwijs zou niet voldoende aangepast zijn aan deze nieuwe generatie. Deze kinderen worden op school met andere woorden "weer naar de middeleeuwen gekatapulteerd".  

Van Uffelen is tevens ook van mening dat ICT een onderdeel moet worden van elke les, in plaats van iets afzonderlijks. De Steve Jobs-school zou hier de perfecte belichaming van zijn. "Een school die ICT uitademt. Waarin elke les geënt is op de digitale wereld waarin wij leven... Laten we afstappen van het idee dat je voor les A handboek A nodig hebt, en voor les B handboek B."

De meeste Belgische scholen zijn echter nog niet klaar voor deze overstap, en moeten dringend een inhaalbeweging maken, meent ze. Daarom stelt ze voor om bij wijze van een drastische ingreep alle schoolboeken af te schaffen. De kosten die men daarmee zou uitsparen zouden een iPad kunnen  voorzien voor elke leerling. Op die manier "laat je het onderwijs naadloos aansluiten op de leefwereld van de jongeren."

Zijn onze jongeren met zulk digitaal onderwijs dan wel evengoed voorbereid op hogere studies? Absoluut wel, meent Van Uffelen. Digitaal leren is niet hetzelfde als klassiek leren, maar het is meer gericht op het begrijpen van dingen, in plaats van ze vanbuiten te leren. Er zou volgens haar eventueel wel wat taalgevoeligheid verloren gaan, maar de kinderen worden wel beter gewapend tegen een wereld die steeds technologischer wordt. De inbedding van ICT op school zou ICT van zijn nerdy imago kunnen ontdoen en jongeren in staat stellen om "nieuwe technologieën flexibel te gebruiken, in allerlei toepassingen."

Persoonlijk weet ik niet goed wat ik ervan moet denken. Het wordt natuurlijk allemaal erg utopisch voorgesteld, maar hoe effectief zou dit schoolsysteem echt zijn? Ik ben sowieso geen voorstander van het feit dat Apple en de iPad er zo noodzakelijk bij worden betrokken. De iPad kan volgens mij best vervangen worden door een andere (Android- of merkloze) tablet, en dan zou de school niet langer moeten genoemd worden naar de CEO van een bepaald merk. Op die manier krijgen de kinderen ook niet meteen Apple ingelepeld vanaf hun geboorte, en wordt hun visie op de markt niet te eenzijdig beperkt/gestuurd.

Ik snap dat Van Uffelen pleit voor een school die ICT uitademt en die leerlingen beter voorbereidt om succesvol te functioneren in een wereld die steeds technologischer wordt, maar de Steve Jobs-school is in mijn ogen wel net een brug te ver. Misschien is dat omdat ik zelf op een klassieke manier onderwijs heb genoten, en ik daar best tevreden over was? Misschien is het inderdaad tijd voor een drastische ommezwaai en zullen de kinderen van tegenwoordig (en de toekomst) meer baat hebben bij een alternatievere, meer digitale opleiding. Wie zal het zeggen?

Toch sta ik nu nogal sceptisch tegenover het idee dat leerlingen vrijwillig (op tijd) naar school zullen gaan en in hun vrije tijd thuis zullen werken aan schoolprojecten, zonder al te veel tussenkomst van leraren of coaches. Het huidige schoolsysteem leert natuurlijk ook enige vorm van discipline aan, die in mijn ogen een beetje verloren gaat in het Steve Jobs-model. Ook zou het model zich aanpassen aan de specifieke leerbehoeften van elke leerling. Dit lijkt mij echter best een grote uitdaging voor de coaches. Wordt er zo eentje ingeschakeld per leerling? En moet zo'n coach dan dag en nacht de voortgang van zijn leerling checken op zijn iPad? Voor mij is het allemaal nog een ietwat utopisch idee, dat ik niet meteen gerealiseerd zie worden in België. Niet dat we er geen inspiratie van kunnen opdoen natuurlijk. Ik denk maar aan flexibelere schooltijden, het afschaffen van jaargroepen, meer kennis opdoen in de buitenwereld/aan de hand van ervaringen (en die dan delen met de klas), meer incorporatie van sport en spel in de schoolcontext, etc.

Van Uffelen's pleidooi voor het afschaffen van alle schoolboeken vind ik eveneens een beetje te drastisch. Ik begrijp dat het een grote kost en verspilling is, maar om nu volledig over te schakelen op digitaal leermateriaal vind ik geen goeie oplossing. Het blijven technologische snufjes. Wat als de batterij van je tablet plat is? Of je ogen doen pijn van te lang naar een scherm te staren? Call me old fashioned, maar ik ben nog steeds een voorstander van boek, pen en papier. Het handschrift biedt trouwens een heel aantal vernoemenswaardige voordelen. Een uiteenzetting over die voordelen bevinden zich in onderaan vermelde artikels.

De Steve Jobs-scholen hoeven voor mijn part geen intrede te doen in België, maar het geeft ons wel stof tot nadenken over de oubolligheid van ons huidig onderwijssysteem. We kunnen nadenken over hoe we eventueel veranderingen kunnen maken zodat de kinderen van nu leren omgaan met de technologische wereld waarin ze opgroeien. Een wereld die al weer enorm verschilt van de wereld waarin wij opgroeiden, nog geen 20 jaar geleden.

---------------------------------------------------------------

BRONNEN

opiniestuk Van Uffelen

model Steve Jobs-school

Onderwijs voor Nieuwe Tijden

Basisschool informeert ouders via mobiele app



Samenvatting van het artikel:
-          Basisschool Mozaïek in Brugge kwam met een primeur in de media. Ze communiceren namelijk via een mobiele applicatie met de ouders van leerlingen. Via deze applicatie hopen ze om met de smartphones en de tablets van de ouders en leerkrachten nog beter te kunnen communiceren naar de toekomst toe.
-          De touchscreen technologie die verwerkt zit in smartphones en tablets, wordt de belangrijkste digitale communicatietool in ons dagelijks leven. Wij hebben al tablets aangekocht voor alle leerkrachten en voor een aantal klassen. Die tablets kunnen onder meer gebruikt worden om tijdens een uitstap in de natuur foto's te maken en die dan later in de klas te bestuderen. De leerkrachten krijgen extra vorming door de mensen van het ICT atelier uit Leuven. Ook de directie van de basisschool Hemelsdaele is daar volop mee bezig', vertelt directeur Joost Dendooven.” Dit kunnen we lezen in het artikel.
-          Veel praktische toepassingen worden er niet vernoemd, wel heeft men laten vallen dat men als ouder nu bijvoorbeeld kan volgen wat er op het schoolmenu staat, welke activiteiten er gepland worden en ook zullen er foto’s van de activiteiten verschijnen.
-          Voor mij gaat het hem niet zozeer over de applicatie die gebruikt wordt, maar over het gebruik van de tablets
-          Wat zijn de voordelen van deze toepassing?
o   Communicatie tussen school en ouder wordt beter
o   Gebruik van een tablet kan verschillende voordelen hebben voor zowel de leerkracht als de leerling
o   Gebruik van een tablet zal aangenamer werken in een leeromgeving en dus zullen de leerlingen ook meer gemotiveerd zijn
o   Leerlingen die opgroeien met het gebruik van technologie hebben ook een stapje voor in het bedrijfsleven, aangezien technologie de toekomst is, zal vrijwel iedereen er mee moeten leren werken
o   Digitale leeropdrachten worden toegepast
o    de informatiekanalen van de leerlingen verbreed worden. Het internet biedt heel veel leermogelijkheden en geeft toegang tot heel veel informatie. 
o    Kritisch leren omgaan met informatie dat men op het internet vindt
-          Wat zijn de nadelen van deze toepassing?
o   Het is een hele investering voor de school
o   Minder rijke mensen kunne zich dit niet veroorloven
o   De vraagt blijft of de toepassing van de tablets een meerwaarde geeft op het klassiek lesgebeuren? Wat als elke les op een tablet gegeven wordt? Komt de rol van de leerkracht in gedrang?
o   Zullen studenten na een tijd afhankelijk worden van technologie? Willen we die kant wel op gaan? (Wat vinden jullie (lezers) hiervan?)
-          Wat zijn de opportuniteiten en hoe kan men dit verder uitwerken?
o   Ouders kunnen kinderen ziek melden
o   Tijdens de lessen LO kan men de tablet gebruiken voor complexe bewegingen en oefeningen aan te tonen
o   Opdrachten kunnen via de tablet gegeven worden aan de leerlingen en zo kunnen ze deze in groep uitwerken
o   Studenten die ziek zijn of gekwetst kunnen een vervangtaak maken tijdens de les LO

 Graag jullie mening over het gebruik van tablets in de klas! En is de communicatie via deze technologie een meerwaarde voor scholen? Denk hierbij aan de kostprijs en dat niet iedereen het zich kan aanschaffen.

Het artikel kan je hieronder vinden:




-- Nick Diddens --


donderdag 28 maart 2013

Bedenkingen bij de conceptnota rond mediawijsheid

 Op 10 mei 2012 verstuurde het Kabinet van de Vlaams minister voor Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel een persbericht met daarin een woordje uitleg over de beleidsnota Mediawijsheid. De Vlaamse regering had op woensdag 09 mei 2012 de conceptnota  Mediawijsheid van Ministers Ingrid Lieten en Pascal Smet goedgekeurd. Beide ministers spreken over 40 concrete acties, maar er liggen eigenlijk vier strategische doelstellingen op de tafel.
1.       Het creëren van een duurzaam en strategisch kader voor mediawijsheid. Waaronder het oprichten van een kenniscentrum Mediawijsheid.
2.       Het stimuleren en verhogen van competenties. Door onder meer het verder verankeren van media- en beeldgeletterdheid in het onderwijscurriculum en vormingsaanbod van leerkrachten. Maar bijvoorbeeld ook het lanceren van educatieve games.
3.       Het creëren van een e - inclusieve samenleving. Zoals het zorgen voor betaalbare internettarieven. De sociale tarieven voor internet dienen in overleg met de federale regering en andere betrokken actoren te worden opgevolgd.
4.       Het creëren van een veilige en verantwoorde mediaomgeving: een voorbeeld hier van een actie is het sensibiliseren van ouders en opvoeders, ondermeer door de e-safety campagne en 120 ouderavonden van nu tot september 2013
Andere acties bestaan uit subsidies voor mediawijsheid, die mensen uit de sector, kansarmen en jongeren trainen en begeleiding aanbieden. Ook met de VRT is er in de beheersovereenkomst opgenomen dat Ketnet mediawijsheid aan de kinderen moet bijbrengen door hen in een veilige omgeving vertrouwd te maken met online toepassingen. Omdat deze materie te uitgebreid is om allemaal aan te halen in deze publicatie verwijs ik naar de beleidsnota zelf: http://www.ond.vlaanderen.be/ict/beleid/conceptnota-mediawijsheid.pdf

Wat is mediawijsheid?

Mediawijsheid is een brede thematiek die gaat over uitdagingen zoals de toegankelijkheid van de “nieuwe” media, omgaan en interpretatie van deze media en implementaties. Mediawijsheid is een thema dat niet enkel in het beleidsdomein onderwijs en media van belang is, maar ook binnen innovatie, cultuur, welzijn en armoedebestrijding aanbod komen.
 

Waarom is dit nodig?

“Nieuwe “ media hebben een steeds grotere impact op onze samenleving, daarom is het belangrijk dat zowel kinderen, jongeren als volwassenen – ongeacht hun sociale en economische achtergrond – inzien hoe “nieuwe” media functioneren en hoe ze deze kunnen toepassen in hun dagelijkse leven. Om actief deel te nemen van de samenleving van vandaag en morgen moeten we allen voldoende media – wijsheid verwerven. We leven nu éénmaal in een kennis- en communicatiemaatschappij waar ook kinderen al op heel jonge leeftijd worden geconfronteerd met allerlei media. Wanneer we dan willen zorgen dat we van onze kinderen volwaardige burgers maken die instaat zijn op eigen benen te staan in de samenleving is het ook belangrijk dat onderwijs voldoende aandacht heeft voor deze “nieuwe media” en mee evolueert.
 

De feiten

Bij het begin van zijn legislatuur liet van de minister van Onderwijs Pascal Smet in 2010 “mediawijsheid” opnemen in de eindtermen voor het secundair onderwijs, toch blijkt dat er onduidelijkheid heerst over de mate waarin veilig gebruik van sociale netwerksites daadwerkelijk is opgenomen in het curriculum. De vakgroep Onderwijskunde van de Universiteit van Gent toonde aan dat de bestaande lespakketten die rond dat onderwerp bestaan quasi onbekend zijn bij zowel leerlingen als leerkrachten.
Sociale netwerksites winnen aan populariteit, gemiddeld hebben mensen 115 online vrienden en de online contacten gebeuren normaal gezien met mensen die ze ook in het echt ontmoeten (Smits, W., 2009). In België is het internetgebruik van kinderen en jongeren “gemiddeld” wanneer we dit vergelijken met andere EU-landen (tussen de 65% en 85%) (Tsatsou, Pruulmann-Vengerfeldt & Murru, 2009). De blootstelling aan diverse internetrisico’s neemt in België ook een middenpositie in (Hasebrink, Livingstone & Haddon, 2008). In 2010 toonde Vandonick aan dat het surfen naar risicovolleinhouden  afhankelijk is van de band tussen de jongere en de ouders, maar ook de sociale context speelt een belangrijke rol, waarbij het opleidingsniveau van de ouders niet onderschat mag worden. “Laagopgeleide ouders zijn vaak minder vertrouwd met computers en internet, hetgeen kan leiden tot meer onzekerheid inzake regulering en begeleiding van het internetgebruik van hun kinderen en tot een onderschatting van de online risico’s waarmee hun kinderen geconfronteerd kunnen worden” (Vandonick e.a., 2010).
Enkele cijfers ter illustratie van de risico’s die kinderen lopen op het internet. Van de 9- tot 16 jarige hebben 14% in de afgelopen 12 maanden online beelden gezien die duidelijk seksueel getint zijn,… Voor meer cijfers en referenties hierover verwijs ik graag naar de conceptnota mediawijsheid 2012 van de Vlaamse overheid.

Mijn bedenkingen bij deze conceptnota

In de eerste plaats meen ik at het belangrijk is dat er een conceptnota mediawijsheid werd neergelegd. Dit wil immers zeggen dat de beleidmakers van dit land toch bezig zijn met deze materie. Ik vindt het ook positief dat er concrete actiepunten naar voor worden geschoven, alleen lijkt het een beetje dat de kwantiteit belangrijker is dan de kwaliteit. Mijn eerste opmerking of bevraging die ik dan ook heb is, “Wordt de doelgroep wel bereikt?” Eén van deze 40 concrete acties is het organiseren van 120 ouderavonden, hierbij maak ik dan de bedenking dat wanneer we weten dat er op het einde van 2012 1068 (enkel erkende en gesubsidieerde of gefinancierde) scholen in het secundair onderwijs alleen al waren in Vlaanderen, dat we moeten beseffen dat we een heel select groepje van ouders gaan bereiken. Een andere concrete actie is dat erin de beheersovereenkomst  met de VRT wordt opgenomen dat ze mediawijsheid moet bijbrengen bij kinderen. Op zich is dit een zeer goed initiatief, maar er zou toch beter gedacht moeten worden over de invulling. Nadat op vrijdag 1 februari Ketnet aan de kinderen vroeg om eigenervaringen rond pesten via een videoboodschap te posten op de Ketnet-site en dus op het net was de VRT op dinsdag 5 februari al verplicht deze filmpjes te verwijderen. Sommige van deze kinderen stelde zich zo kwetsbaar op dat de VRT wel moest ingrijpen. VRT - woordvoerder Björn Verdoodt gaf dan ook namens de VRT toe dat ze in de fout waren gegaan. http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF20130205_00459134 Allemaal goed en wel, maar het was wel op het net gepubliceerd en het is niet omdat het van de site van de VRT wordt verwijderd dat het van het net af is. Dus vraag ik mij af waar de actie een veilige omgeving aanbieden via de Ketnet – site concreet op inslaat. Deze filmpjes hadden nl nooit de kans mogen krijgen om online te komen.
Het mogen dan wel goede intenties zijn maar voor een beleid te voeren lijkt mij dit ruim onvoldoende. Het is een tekst die een aanzet mag zijn, maar geen beleid.
Wat merk ik nog op, dat is dat naar aanleiding van de versie van 2010 al werd aangegeven dat er onduidelijkheid heerst over de mate waarin veilig gebruik van sociale netwerksites daadwerkelijk is opgenomen in het curriculum voor het secundair onderwijs. De vakgroep Onderwijskunde van de Universiteit van Gent toonde aan dat de bestaande lespakketten die rond dat onderwerp bestaan quasi onbekend zijn. Nu wordt er in de nieuwe versie wel af en toe gesproken over sociale netwerksites maar over een concrete aanpak is er weinig te vinden. Nu ben ik na onderzoek blijkbaar toch niet de enige die deze opmerking had ook Marleen Vanderpoorten (oud-minister van Onderwijs en Vorming) en zelf gewezen lerares heeft hierover samen met Bart Tommelein een resolutie over ingediend bij het Vlaams parlement en zij motiveerde dit als volgt.
Bart Tommelein Jongeren maken massaal gebruik van de nieuwe en sociale media. Deze zijn nauwelijks nog weg te denken uit de leefwereld van de Facebook-generatie. Kinderen zijn vaak al van in het basisonderwijs actief op sociale netwerksites zoals Facebook en Netlog, zelfs al ligt de wettelijke minimumleeftijd hoger. Eenmaal in het secundair onderwijs neemt het gebruik van die nieuwe media nog toe. Onderzoek wijst echter uit dat hoewel een belangrijk deel van de jongeren privacy-instellingen gebruikt, jongeren meer risicovolle informatie op hun profielpagina plaatsen naarmate ze ouder worden”.
Vanuit onderwijsstandpunt betekent dit dat jongeren de nodige strategische vaardigheden aangeleerd moeten krijgen op school om met dergelijke netwerksites om te gaan. Zo stelt Vlaams Volksvertegenwoordiger Marleen Vanderpoorten: "Kinderen en jongeren beschikken vaak wel over de technische vaardigheden, maar kennis over de zogenaamde netetiquette ontbreekt nog al te vaak. We mogen de ogen niet sluiten en blind zijn voor het gebruik op jonge leeftijd. Integendeel. Naast de gevaren bieden deze netwerken ook enorme opportuniteiten. Het gaat hier immers om meer dan een rage, een cultuurfenomeen. Ik denk dat sociale media een wezenlijk onderdeel van ons leven zullen worden. Kinderen en jongeren moeten dan ook vanaf de basisschool de nodige vaardigheden aangeleerd krijgen om een verstandig gebruik aan te scherpen. Het is evenwel van cruciaal belang dat de leerkrachten in dit verhaal worden betrokken. De Vlaamse Regering moet daarom concrete actie ondernemen om ook leerkrachten de nodige vaardigheden inzake sociale media aan te leren."
Bronnen:
Apestaartjaren 3, Onderzoeksrapport 2010
SMITS, W., Sociaal Cultureel Werk, Participatie in Vlaanderen I, Basisgegevens van de Participatiesurvey 2009, Den Haag, ACCO Leuven, 2009, p. 159-160.
D’HAENENS, L. en VANDONINCK, S., Hoe digitaal geletterd zijn Belgische kinderen en jongeren in
vergelijking met leeftijdgenoten in Europa?, 2011 .
 
 




woensdag 20 maart 2013

De toekomst van onderwijstechnologie

Aangezien de hervorming van het secundair onderwijs op de agenda van de Vlaamse regering staat is onderwijsvernieuwing een hot topic. Omdat iedereen ooit wel op een middelbare school heeft gezeten, zijn er talloze meningen pro en contra de beleidsvoorstellen te vinden, de ene meer deskundig en de andere vooral flitsend geformuleerd. Dat deze discussie niet alleen in het Vlaams Parlement gevoerd wordt, is een goede zaak.
De rol van technologie in de school van de toekomst is in dit debat onvermijdelijk een belangrijk discussiepunt. De toekomst van technologie is immers niet beperkt tot het klaslokaal alleen en de invloed daarvan op onderwijs wordt treffend gevisualiseerd op deze poster van Michell Zappa en TFE Research .

 




Door de snelle ontwikkeling van nieuwe technologie, komt het educatieve gebruik ervan extra onder druk te staan. Naast de financiële vraag naar investeringen in hardware, zijn er ook pedagogische eisen die om invulling vragen. Onderwijsmethodes vormen zich graag op basis van ontwikkelde en grondig beschreven praktijken. Zo'n proces vraagt veel tijd, dus ook geld.

Uren zocht ik het internet af naar recent academisch onderzoek over dit thema en daar scoren onze universteiten in mijn ogen slechte punten. Onderzoekers als Ronald Soetaert (Ugent) , Pedro De Bruyckere (Arteveldehogeschool, UA),Frederik Questier (VUB) of Maarten Simons (KULeuven) zijn aanwezig in de media, maar hun werk is zelden te vinden op de website van de universiteit waaraan ze verbonden zijn. Dus zijn we afhankelijk van wat ze zelf online (mogen ?) zetten in een blog of website, interviews in de pers, lezingen op studiedagen. Pas na verloop van minstens twee jaar verschijnen er artikels en onderzoeksrapporten online, zoals dit onderzoek naar de factoren voor de aanvaarding door leerlingen van videogames in de klas. Het artikel over het onderzoek naar de aanvaarding door ouders van het gebruik van videogames in de klas, wat toch een interessante aanvulling in deze discussie is, werd nog niet toegevoegd. Het marktgerichte zakenmodel krijgt een grotere impact in de academische wereld en beperkt de verspreiding van deels met publiek geld gefinancierd onderzoek.

Gelukkig lopen in het jeugdwerk, de cultuursector en het innovatiebeleid eveneens projecten waarin expertise opgebouwd wordt die kan bijdragen aan dit vernieuwingsdebat. Apestaartjaren, het platform over jongeren en nieuwe media zou verplichte kost moeten zijn voor iedereen die met kinderen en jongeren werkt. In mei 2012 verscheen er al voor de vierde keer een tweejaarlijks onderzoek naar jongeren en nieuwe media met gegevens over bezit, gebruik en attitudes. 62% van de bevraagde groep sms't wekelijks over huiswerk, 47% overlegt over huiswerk op Facebook. Eind 2012 vroeg de Vlaamse Jeugdraad een aantal jongeren tussen 6 en 16 jaar naar hun reflectie over de digitale wereld. Het belevingsonderzoek KLETS! On Tour leert ons dat jongeren de kans om aan de discussie deel te nemen met beide handen grijpen en dat ze zelf verschillende meningen formuleren. Opvallend eensgezind zijn ze het over digitaal klasmateriaal : ze vragen er meer van en ook meer tijd voor projecten en opzoekwerk op de computer op school.

Tablets maken het met één toestel mogelijk om verschillende media te leren gebruiken : tekst, foto, video, audio... en zijn dus ideaal om mediawijsheid te stimuleren. Leerlingen van de eerste graad en hun leerkrachten gaan ermee aan de slag en maken na vier workshops met cultuureducatoren van het project I@School een blog over een zelfgekozen thema.
Het ontwikkelen van digitaal klasmateriaal is complex, tijdsintensief en dus duur. In het project G@S Games at School springt het innovatiebeleid van de Vlaamse overheid ondernemingen, leerkrachten en wetenschappelijk onderzoekers bij met geld en advies om een 3D-game te maken dat wiskunde leren plezant maakt. Eind dit jaar moet er dankzij dit onderzoeksproject een platform zijn 'dat toelaat om op een eenvoudige manier zelf educatieve games te creëren en te verdelen'.
Een grondige beschrijving van praktijken is momenteel geen prioriteit in projectdossiers, of blijft beperkt tot de eigen sectorale achterban. 

Vraag is vooral of gespecialiseerd wetenschappelijk onderzoek en de ervaring van praktijken via projecten voldoende kunnen doorstromen naar nieuwe onderwijsmethodes. De toekomst van onderwijstechnologie is volgens bovenstaande poster niet beperkt tot het klaslokaal alleen. Om die reden ben ik ervan overtuigd dat het onderwijs alle hulp moet gebruiken die het kan krijgen door actief samenwerkingen aan te gaan met die maatschappelijke actoren die een engagement willen aangaan. Aangezien onderwijs, jeugdwerk, cultuur en innovatie in grote mate met gemeenschapsgeld gefinancierd worden, zie ik niet in waarom onderzoeksresultaten en praktijkbeschrijvingen niet sneller en breder kunnen gedeeld worden.

dinsdag 19 maart 2013

Tablets in de klas, 8 goede redenen

Samenvatting van het artikel

Het GO! heeft als doel om de leerlingen zo individueel mogelijk te begeleiden ook al weten ze dat dit niet altijd een eenvoudige klus is. Hun nieuw concept zou zijn om digitale lessen/klassen in te voeren. Ze maken reeds gebruik van smartboarden maar nu zouden tablets dit concept kunnen ondersteunen om een nieuwe leermethodiek aan te bieden aan de leerlingen.

Ik som kort de voordelen op die Jan Buytaert heeft opgegeven. De eerste is dat er een individuele opvolging kan gebeuren van de leerlingen. Via een speciale app zou de leerkracht dan kunnen zien wat de leerling allemaal heeft bekeken en dan kan hij de leerling bijsturen door feedback te geven tijdens de les.
Voordeel nummer 2: de leraar bevindt zich midden in de klas, hij staat niet meer vooraan de klas om daar te doceren. Hij loopt rond en helpt de leerlingen waar nodig. Hij kan ze continu opvolgen via de app uit voordeel 1.
Voordeel nummer 3 is dat de leerlingen meer gemotiveerd zullen zijn voor de lessen omdat ze het van thuis uit al gewoon zijn om met technologie te werken. En het zou een positieve invloed kunnen hebben op hun leergedrag als de technologie van thuis ook op school gebruikt wordt.
Voordeel 4 is dat de informatiekanalen van de leerlingen verbreed worden. Het internet biedt heel veel leermogelijkheden en geeft toegang tot heel veel informatie.
Voordeel 5: een samenwerkingsgevoel creëren. In het artikel wordt aangegeven dat het eenrichtingsverkeer tussen leerkracht en leerling nu beperkt word omdat er door het gebruik van een tablet meer samenwerkingsmogelijkheid is. Dit zowel tussen leerkracht - leerling als tussen de leerlingen onderling.
Voordeel 6 sluit aan op 5 want door de samenwerking gaan de leerlingen ook meer kunnen bijdragen tot de inhoud van de lessen en kunnen ze op een actieve manier leren.
Voordeel 7:  het gebruik van tablet is toegankelijk voor elk vak. Er zou gebruik gemaakt kunnen worden van een smartboard systeem waar dan ook interactieve oefeningen op geplaatst kunnen worden die de leerlingen dan kunnen oplossen.
Het laatste voordeel (8) is de 'gamificiation' binnen het onderwijs. "Leerlingen worden graag uitgedaagd met verschillende levels, levens en bonussen. Er bestaan al verschillende apps op tablets die bv. in het vak wiskunde leerlingen op een heel speelse manier thuis brengen in de wereld van vergelijkingen. Op papier is dat moeilijk, maar tablets zijn veel toegankelijker om die spel-mechanismen binnen te brengen in de klas."

Quote van Jan Buytaert dat het artikel afrondt:  ‘Samengevat, tablets kunnen vernieuwende onderwijsmethodes binnenbrengen in de klas: de tablet is een middel om de toekomst in de klas nog beter te gaan omschrijven. Er zijn nog andere instrumenten en we moeten zeker inzetten om al die didactische instrumenten samen te laten spreken. Het zijn de apps op de tablets, en de manier waarmee we met die applicaties zullen omgaan, die het onderwijs zullen maken of kraken.’



Bespreking

Naar mijn mening heeft Jan Buytaert, directeur ICT het GO! gelijk. De tablets maken tegenwoordig zo een deel uit van het dagelijkse leven van de kinderen dat het eigenlijk vanzelfsprekend is dat ze ook op school gebruikt worden. De leerlingen kunnen meer input brengen in de lessen, ze kunnen zelf dingen opzoeken, samen overleggen wie wat heeft gevonden en dan discussiëren wat ze er zelf van vinden. De leerkracht kan zijn les dan ook op een interactieve manier geven en hoeft niet enkel te doceren vooraan de klas aan het bord. Hij kan meer contact maken met zijn leerlingen, rondlopen en persoonlijk vragen hoe ze informatie hebben gevonden en dan via bvb Jigsaw kunnen de leerlingen dan eigenlijk les aan elkaar geven. De leerkracht kan dan zelf vanuit een app nagaan of de leerling goed op weg is en feedback geven indien nodig.

Nu blijft de vraag natuurlijk hoe zou dit financieel ingepast kunnen worden in het onderwijs. Moeten de leerlingen hun eigen tablet meebrengen? Moeten ze er elk één kopen? Stelt de school deze tot beschikking van de leerlingen? Welk type tablet: androïd of iPad? Hiervoor verwijs ik naar de publicatie van Bart Sliepen die dit onderwerp heel duidelijk besproken heeft. Kort samengevat komt het erop neer dat de school de keuze zou moeten laten aan de leerlingen en hen zelf geen keuze opleggen in de aankoop van een Ipad of Adroïd..
http://onderwijs-technologie.blogspot.be/2013/03/ipad-of-android-tablet.html

Maar een andere vraag is natuurlijk ook verliest de leerkracht zijn rol als 'leer'kracht dan niet? Want hij laat de leerlingen zelf zoeken naar informatie en leerstof in plaats van het zelf te geven. En kunnen de leerlingen op hun leeftijd al kritisch omgaan met wat je allemaal op het internet vind. Wat is juist en wat niet.

Het leren kritsich te denken is een opgelegde eindterm waaraan voldaan moet worden om het einde van het leerplan. We moeten dus aan onze leerlingen eerst leren hoe ze met informatie moeten omgaan die ze kunnen vinden op internet. Koen de Couck toont aan met zijn scriptie dat niet alleen leraren het webgedrag van jongeren vroeg en blijvend moeten opvolgen. Leerlingen hebben ICT competenties nodig, maar daarnaast moeten ze websites verantwoord leren evalueren en hun zoekmethodes optimaliseren. Een onderdeel hiervan was een onderzoek naar hoe leerlingen omgaan met hoog- en laagkwalitatieve informatie. Bleek dat leerlingen  hoogkwalitatieve informatie herkennen en dat ze hier dus kritisch over denken maar het is niet het geval bij laagkwalitatieve informatie. Ook blijkt dat de les informatica weinig verandering brengt in het webgedrag van de leerlingen.
http://www.ischoolmagazine.be/nieuws/136-kunnen-leerlingen-kritisch-knippen-en-plakken.html

Conclusie: Er zijn veel positieve punten aan het gebruik van tablets in de klas maar ook mindere die zeker niet onbelangrijk zijn.



Hier de link naar het volledige artikel:

Céline Degrève


maandag 18 maart 2013

Scholen werken rond gevaren internet

Scholen werken rond gevaren internet

Zo een vijfhonderd eerstejaars studenten van vijf secundaire scholen uit Sint-Truiden hebben tijdens de lesuren workshops gekregen rond misbruik en gebruik van internet. Deze workshops werden georganiseerd door het Jongeren Adviescentrum (JAC) en de centra voor Alcohol en andere Drugproblemen (CAD).

Een eerste thema dat in de workshops werd behandeld ging over de gevaren van profielsites en internet. Belangrijk was de leerlingen te laten inzien waar de gevaren schuilen en  wat ze op internet zetten een risico kan vormen. Allerhande risico's werden overlopen en via discussiemomenten konden ook leerlingen aan elkaar tips meegeven.

Een tweede thema dat werd behandeld  tijdens de workshops was 'games'. Er werd gepraat met de leerlingen wat hun ervaring is met het spelen van computerspelletjes. De leerlingen konden dan meedelen hoeveel uur ze per dag ze achter de computer zitten en hoeveel ze uitgeven aan computerspelletjes. Hierbij werden de leerlingen onder andere bewust gemaakt van de gevaren van deze games.

Naast de workshops werd er ook een spel (Vlindernet van de vzw Zinloos geweld) gespeeld omtrent cyberpesten. Tijdens dit spel is het de bedoeling aan de hand van situatie -en gevoelskaarten na te denken over de problematiek en het gevoel dat men ervaart bij cyberpesten. De leerlingen konden vervolgens hun meningen uitwisselen.



Pro: Ik ben voor zulke initiatieven en ik vind dat in elke school zulke workshops moeten gegeven worden.
Er moet aan de leerlingen dringend eens duidelijk gemaakt worden welke gevaren het internet met zich meebrengt en dat niet zomaar alles op internet kan gezet worden. Ik denk hierbij onmiddellijk aan de foto's van de jonge meisjes die op facebookpagina's werden gezet en waarbij ze als hoertjes bestempeld werden. Tijdens zulke workshops zullen ze dan onder andere gewaarschuwd worden voor zulke zaken.

Contra: Deze workshops en het spel zijn misschien meer gericht op de assertieve leerlingen. De stille en onzekere leerlingen gaan hopen dat de workshops en het spel zo rap mogelijk voorbij zijn aangezien het voornamelijk gebaseerd is op dialogen voeren, gedachten uitwisselen, meningen geven,... .

Bron: http://www.nieuwsblad.be/article/detail.aspx?articleid=DMF20121002_00319538









zondag 17 maart 2013

Liever geen computer in de les



‘Liever geen computer in de klas’, zo luidt het artikel dat ik tegenkwam in het archief van De Standaard. Aan  het woord is Hans De Four, de coördinator van KlasCement, een netwerksite voor leerkrachten. Centraal in het artikel staat zijn boutade “Leerkrachten kunnen een computer gebruiken, zolang die normaal doet en het niet in een klassikale omgeving is”. Hoewel het artikel reeds wat ouder is, vond dit alsnog een erg interessant uitgangspunt.

De Standaard keek als repliek op deze quote de ICT-moitor van het departement Onderwijs in, die peilt naar het ICT-gebruik in Vlaamse scholen. Deze monitor, afgenomen tijdens het schooljaar 2007-2008, maar gepubliceerd in 2010 is hoewel reeds verouderd, de enige recente versie die ook ik kon inkijken. Zorgwekkend in deze monitor was in ieder geval dat leraren zelden beroep doen op computers als didactisch materiaal in de klas.

Indien ik kijk naar mijn eigen computergebruik tijdens de stagelessen, dan beperkt zich dat ook hier tot het gebruik van de computer als een medium langs waar een powerpointpresentatie kan afgespeeld worden. Verder komt het occasionele youtube-filmpje  al eens aan bod, of wordt een bepaalde kunstenaarswebsite getoond. Voel ik dat het ook anders kan…nee, eigenlijk nog niet. Hoe ICT-gericht kan een estheticales in godsnaam zijn, vraag ik me af? Mijn gebruik van ICT beperkt zich immers tot didactische middelen waar de les in principe niet mee zou vallen moesten deze weggelaten  worden.

Wanneer de computer daarbovenop nog eens een struikelblok blijkt te zijn - ik denk nu aan het wegvallen van enkele filmpjes tijdens een les cultuurwetenschappen omdat de videospeler de browser van de school niet ondersteunde - is het voor leerkrachten van bepaalde vakken al te gemakkelijk om geen rekening te houden met enige ICT tijdens de lessen. Mijn vakmentor esthetica, waar ik zelf nog les van gekregen heb, gebruikt geen enkele ICT toepassing tijdens haar lessen. Deze, nochtans jonge, leerkracht is nog maar net overgeschakeld van diaprojecties naar het gebruik van een powerpointpresentatie. Een hele revelatie voor haar, een als vanzelfsprekendheid voor de leerlingen.

Die leerlingen zijn immers wandelende computerhandleidingen geworden: “mevrouw, druk anders daar of daar eens op” of “u moet dit of dat doen” zijn haast dagelijkse conversaties geworden in een klaslokaal waar de leerkracht niet vertrouwd is met de computer. “Het gebrek aan opleiding van leerkrachten staat in schril contrast met de ICT-competenties van leerlingen”, zo gaat het artikel dan ook verder. Ze mogen er dan wel in de klas niet veel in contact mee komen, de meeste leerlingen kunnen erg goed overweg met een computer overweg. Bijna elke leerling in het middelbaar heeft thuis een computer (97 procent van de scholieren) en ongeveer 70 procent maakt er dagelijks gebruik van om zich te ontspannen. Volgens mij logisch dat bepaalde leerkrachten, in een klas vol computeradepten, nogal onzeker worden bij het gebruik van de computer in de klas.

‘Koudwatervrees’ is volgens De Four het probleem.  Bij een ‘normale’ les zijn enkel twee partijen betrokken, jij als leerkracht en jouw leerlingen. Bij een les met een computer komt daar een derde partij bij, waar je niet altijd bent over opgeleid om ermee om te gaan. Een leerling kan een slechte dag hebben, maar dat kan een computer ook. Nogmaals; ik stond ook maar te schilderen toen ik mijn filmpjes niet aan de praat kreeg. Resultaat: mondeling vertellen van wat de leerlingen anders te zien kregen…

Hoe dan ook, uit de studie van de ICT monitor bleek verder ook dat het merendeel van de Vlaamse leerkrachten de computer wél meermaals gebruikt om informatie op te zoeken die tijdens de les aan bod zal komen. Gemiddeld gebeurde dit één maal per maand, aldus de ICT monitor. Ongetwijfeld is dit getal de laatste jaren de hoogte in geschoten, dit kan haast niet anders als je als stagiaire nog maar eens rondkijkt in de leraarskamer van de stageschool. De beide leraarskamers van mijn stagescholen zijn voor de helft gevuld met computers, waaraan het dagelijks onder de middag aanschuiven is voor een plaats. Want, aldus de leerkrachten “ik kijk beter dit of dat nog maar eens na” of “mijn collega heeft me gezegd dat ik deze website ook best kan gebruiken in de les” etc. De voorbeelden zijn legio, laat staan de hoeveelheid uren die de leerkracht thuis nog aan de computer besteedt.

Zoals gezegd komen buiten informatieverwerving andere toepassingen van ICT nauwelijks aan bod in de lessen. Leerkrachten geven aan dat ze nauwelijks of niet computers gebruiken om les mee te geven, laat staan om vakspecifieke software oefeningen te laten maken of om leerlingen zelfstandig informatie te laten opzoeken. Slechts iets vaker zouden, volgens de monitor, de leerkrachten dan een computer gebruiken als hulpmiddel om informatie over te brengen aan de leerlingen.  Dit is problematisch, aldus het artikel, gezien onder andere Oeso-studies hebben aangetoond dat ICT enkel een impact heeft op de ontwikkeling bij regelmatig gebruik in de klas.

Hoewel, in de monitor, de meeste scholen lijken te beschikken over een relatief goede ICT-infrastructuur, blijkt deze infrastructuur mee onderdeel van het probleem. In het rapport concludeert men immers dat de ICT-infrastructuur te wensen overlaat. Dat secundaire en basisscholen in het artikel over dezelfde kam worden geschoren ligt hier misschien aan de basis van, gezien de secundaire scholen over het algemeen beter zijn uitgerust dan basisscholen. Dit geldt trouwens ook  voor het  aantal computers, de nieuwe apparatuur, de beschikbaarheid van draadloos netwerk en de goede internetverbindingen.

Als laatste haalt het artikel ook minister Pascal Smet (SP.A) aan die  “overweegt om bijkomend onderzoek te laten uitvoeren naar ICT in de lerarenopleiding.  “De rol en impact van de lerarenopleiding is op dit moment niet duidelijk. We weten niet hoe de lerarenopleidingen het didactisch ICT-gebruik aan hun studenten aanleren en evenmin hoe de lectoren ICT-gebruik zelf in de lessen integreren”, aldus de minister. Ik ben door deze opdracht van prof. Questier in ieder geval op de hoogte gebracht van de mate van ICT in ons middelbare onderwijs. Nu alleen nog uitzoeken hoe ik hier zelf iets aan kan veranderen binnen mijn lessen...

Het besluit dat ik kan trekken uit de monitor en dit artikel blijft dan ook dat het beeld van ICT in het Vlaamse onderwijs haast bijna onveranderd is gebleven sinds mijn eigen scholierentijd. Hoewel ICT breed wordt gebruikt en er een grote consensus heerst over het ICT gebruik in het onderwijs, aldus het rapport, blijft het vooral informatiegericht.

Ook op de studiedienst van de Vlaamse Regering vond ik geen ‘recentere’ informatie. Het is aldus wachten op de ICT-Monitor 2012 die nog tot eind september 2013 afgenomen wordt.

De Standaard, Liever geen computer in de les, 28 april 2010, http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=IU2PHKMO
Voor de integrale versie van de ICT Monitor 2010 zie: http://www.ond.vlaanderen.be/ict/onderzoek/
Voor meer Vlaamse studies rond  ICT in onderwijs zie: http://www.ond.vlaanderen.be/ict/onderzoek/

Het artikel is online blijkbaar enkel voor De Standaard abonnees zichtbaar. Daarom post ik de volledige versie hieronder.

Liever geen computer in de les
‘Leerkrachten kunnen een computer gebruiken, zolang die normaal doet en het niet in een klassikale omgeving is', zegt Hans De Four, de coördinator van KlasCement, de netwerksite voor leerkrachten. Het is een boutade, maar De Four legt wel de vinger op de wonde, zo blijkt uit de ICT-monitor van het departement Onderwijs die De Standaard kon inkijken. De monitor peilt naar ICT-gebruik in Vlaamse scholen tijdens het schooljaar 2007-2008. Een van de meest zorgwekkende bevindingen van de studie is het feit dat leraren zelden beroep doen op computers als didactisch materiaal in de klas.


Uit de studie blijkt dat het overgrote merendeel van het Vlaamse lerarenkorps de computer geregeld gebruikt om zelf informatie op te zoeken die ze dan gebruiken in de les. Gemiddeld doen ze dat iets meer dan één keer per maand. Slechts 4 procent van de leraren die in het middelbaar lesgeven, gebruikt nooit een computer om lessen voor te bereiden of informatie op te zoeken, in het basisonderwijs is dat 3,5 procent. 
Tot zover het goede nieuws, want alle andere toepassingen van ICT komen zo goed als niet aan bod, zeker niet in de lessen. Slechts 1,7 procent van de leerlingen uit de basisschool zegt dagelijks een computer te gebruiken in de klas, in het middelbaar is dat 3,4 procent. Ook de leerkrachten geven aan dat ze zelden computers gebruiken om les mee te geven. 

Gemiddeld zullen ze hooguit enkele keren per jaar de computer aanzetten om hun leerlingen met specifieke software oefeningen te laten maken of om hen zelfstandig informatie te laten opzoeken. Iets vaker, maar niet eens elke maand, gebruiken ze een computer als hulpmiddel om informatie over te brengen aan hun leerlingen. Die lage cijfers zijn problematisch, want Oeso- en andere studies hebben in het verleden al aangetoond dat ICT enkel een impact op de ontwikkeling van de leerlingen heeft als het regelmatig gebruikt wordt in de klas. 

Koudwatervrees, is volgens De Four het probleem dat leerkrachten hebben als het over ICT gaat. ‘Bij een normale les heb je twee partijen die vreemd kunnen doen. Jij, de leerkracht, en je leerlingen', zegt hij. ‘Als een leerling een slechte dag heeft, dan ben je opgeleid om daar mee om te gaan. Bij een computerles komt er een derde partij bij. Dat is de computer en die kan ook een slechte dag hebben. Als leerkracht ben je helaas niet opgeleid om deftig met die computer om te gaan in een klassikale omgeving.'

Dat gebrek aan opleiding van leerkrachten staat in schril contrast met de ICT-competenties van leerlingen. Hoewel ze er in de klas te weinig mee in contact komen, kunnen heel wat leerlingen goed met een computer overweg. Dat vinden ook de leraren, zo blijkt uit de monitor. Niet onlogisch, want 93 procent van de leerlingen uit de basisschool heeft thuis een computer, 35 procent is er elke dag in zijn vrije tijd mee bezig. 

In het middelbaar heeft zelfs 97 procent van de scholieren thuis een computer en maakt 67 procent er dagelijks gebruik van om zich te ontspannen. Het feit dat leerlingen vaak handig zijn met de computer en hun eigen gebrek aan opleiding, maakt de leerkrachten onzeker om een computer te gebruiken in de klas.  
Bovendien wijst de ICT-monitor ook uit dat de ICT-infrastructuur in Vlaamse scholen vaak te wensen over laat. Zo is 50 procent van de computers in het lager onderwijs ouder dan vier jaar en wordt maar 40 procent van de computers in de basisschool nieuw aangekocht. 

De Vlaamse minister van Onderwijs, Pascal Smet (SP.A), wijst erop dat tijdens het schooljaar waarin de monitor werd afgenomen tien nieuwe vakoverschrijdende eindtermen ICT ingevoerd. ‘De impact daarvan zal bij een volgende afname moeten blijken.' Hij pleit voor een modernisering van het computerpark. 


De minister overweegt, ten slotte, om bijkomend onderzoek te laten uitvoeren naar ICT in de lerarenopleiding.  ‘De rol en impact van de lerarenopleiding is op dit moment niet duidelijk. We weten niet hoe de lerarenopleidingen het didactisch ICT-gebruik aan hun studenten aanleren en evenmin hoe de lectoren ICT-gebruik zelf in de lessen integreren.'


 






 





vrijdag 15 maart 2013

Het klaslokaal van de 21e eeuw: De Amplify tablet


Het klaslokaal van de 21e eeuw: De Amplify tablet

In een wereld van technologie nog steeds studeren met pen en papier - vindt u dit vreemd? Amplify wel en daarom komen ze op de markt met een tablet speciaal ontwikkeld voor het onderwijs. De software van deze tablet is gebaseerd op het Android besturingssysteem van Google.

Amplify creëert een overzichtelijke werkomgeving waar docent en student met elkaar kunnen communiceren. Mogelijkheden binnen deze werkomgeving zijn het bijhouden van afwezigheden en aanwezigheden van leerlingen, het geven van feedback, het inplannen en vormgeven van de lessen en nog veel meer. Studenten kunnen door gebruik van deze technologie ook vragen kunnen stellen aan de docenten. Op deze manier probeert Amplify de leerkracht en leerlingen dichter bij elkaar te brengen.

De tablet is ontworpen met een kleurrijke en overzichtelijke interface waar de verschillende applicaties worden weergegeven. Dit zou de leerlingen moeten aanzetten tot studeren. Het profiel van de leerling of leerkracht wordt bovenaan de tablet weergegeven. Dit profiel bevat voor iedere leerling informatie over aanwezigheden, behaalde scores dergelijk.

De Amplify tablet voorziet ook in een notitie-applicatie. Hier kunnen notities genomen worden voor ieder vak. Elk vak wordt weergegeven in een andere kleur, zodat notities netjes en overzichtelijk per vak bijgehouden kunnen worden.
Om de lessen dynamischer te maken voor de leerlingen voorziet Amplify voor de leerkrachten de mogelijkheid tot het maken van zogenaamde playlists. Deze kunnen content inladen van tekstboeken video’s, internet en nog veel meer. Daarnaast bestaat er een ‘quick poll’ waarbij de leerkracht met simpele juist fout vragen kan testen of de leerlingen de leerstof hebben begrepen. De leerkracht kan ook controleren waar de leerlingen mee bezig zijn op hun tablet en kan indien nodig bepaalde applicaties blokkeren.

Persoonlijk vind ik een tablet gericht op het onderwijs een heel goed en vooral leuk idee. Vaak vinden leerlingen het leuk en boeiend om met nieuwe technologieën te werken. Het werken met deze technologie en de kleurrijke interface kan volgens mij het studeren wel aangenamer maken en daarom ook bevorderen. Leerlingen zullen misschien al meer geneigd zijn om eens een kijkje te nemen op de tablet en zijn op die manier (niet noodzakelijk aan het studeren) wel bezig met de school. Leerlingen getuigen zelf ook dat de tablet het studeren leuker maakt, het voelt niet aan als huiswerk maken of studeren.
De vraag is natuurlijk of leerlingen dit blijvend boeiend vinden. Misschien mist het zijn effect zodra het nieuwe ervan af is en hoe lang blijft dergelijke technologie nieuw in een wereld waar technologie zo snel evolueert als nu.

Naar mijn mening heeft de tablet ook een groot voordeel daar het de drempel tot het delen van meningen en ideeën met anderen verlaagt. Op die manier wordt dit ook voor schuchtere leerlingen makkelijker.
In tegenstelling tot een gewone tablet vind ik dat de Amplify tablet in het onderwijs wel een grote toegevoegde waarde heeft. Éen van de nadelen die volgens mij bijvoorbeeld verbonden zijn aan het gebruik van een gewone tablet in het onderwijs is dat deze ontwerpen vaak gericht zijn op ontspanning. Leerlingen zullen wellicht geneigd zijn meer spelletjes spelen, op het internet surfen en zo meer op de tablet dan hem effectief te gebruiken voor het studeren. Dit nadeel valt dankzij het speciale ontwerp wel weg. Leerkrachten kunnen namelijk zien wat de studenten op hun tablet doen en bepaalde app’s blokkeren.

Overzichtelijke werkomgevingen zijn ook enkele jaren al beschikbaar op de pc en het internet. Dit onderdeel op zich lijkt mij dus niet zo een grote toegevoegde waarde te hebben tot de beschikbare technologie in het onderwijs. Het is echter het geheel dat de tablet interessant maakt. De mogelijkheid van de verschillende applicaties gecombineerd in de elektronische werkomgeving met profielen en het aangenamer en boeiender maken van het studeren. 

Wat mij wel zorgen baart is het verdwijnen van pen en papier. Ik ben ervan overtuigd dat het nog steeds belangrijk is dat leerlingen goed kunnen schrijven en dat bepaalde zaken soms duidelijker kunnen zijn indien ze op papier worden gezet. Verder vraag ik me ook af of het nu net sneller of trager werken zal zijn met de tablet. Gaat het nemen van notities wel voldoende snel op een tablet? Is er wel voldoende (klad) ruimte om oefeningen op te lossen? Is het handig om met formules te werken en te noteren?

Ik denk dat op deze laatste vragen enkel antwoord kan gegeven worden door het gebruik van de Amplify tablet in de praktijk. De adviesprijs van de tablet is momenteel 299 dollar en kan enkel met een abonnement van 99 dollar per jaar worden aangeschaft. Toch wel een stevig prijskaartje indien een school voor al haar leerlingen dergelijke tablet wil voorzien.

Voor meer informatie over de Amplify tablet zijn onderstaande bronnen en filmpjes die je op deze pagina’s vindt zeker een aanrader.

Bronnen:
Verlaan Daniël (06/03/2013), Amplify Tablet: Android tablet speciaal voor onderwijs, Tabletsmagazine  http://www.tabletsmagazine.nl/2013/03/amplify-tablet-android-tablet-speciaal-voor-onderwijs/