donderdag 12 maart 2015

Apps in de les Lichamelijke Opvoeding: Getest door leerkrachten, goedgekeurd door leerlingen.

Samenvatting

In dit artikel worden 7 Apps (iOS) voorgesteld die volgens de auteurs met succes in de praktijk (les lichamelijke opvoeding) gebruikt kunnen worden. De reden van dit artikel was het feit dat multimedia een steeds grotere rol speelt in het dagdagelijks leven van de leerlingen. De huidige generatie heeft de tijd zonder technologie niet of amper meegemaakt en kunnen nieuwe technologieën snel oppikken. Maar uit verschillende stages in het onderwijs (praktijk en observatie) kan ik toch besluiten dat leerkrachten lichamelijke opvoeding hier heel weinig of niet op inspelen.

De 7 applicaties werden door zowel leerkracht als leerling goedgekeurd:
  1. Virtual Heart: € 4,99 (terug te vinden als Virtual Human body): Drie-dimensionele animatie van de anatomie van het hart. Zowel interieur als exterieur beeld kan weergegeven worden en verschillende onderdelen kunnen bestudeerd worden. Kan weergegeven worden bij zowel hartslag in rust als tijdens inspanning.
  2. VSB Physical Education: gratis: Dit is een app waarbij korte video demonstraties getoond kunnen worden van 4 verschillende sporten (basketbal-volleybal-tennis-track&field). Er wordt historische achtergrond meegegeven waarbij een quiz afgenomen kan worden.
  3. Darthfish Express: € 6,99: Deze app kan gebruikt worden voor de analyse van de prestatie/uitvoering van de leerlingen. De uitvoering van de student kan gefilmd worden en achteraf kan het beeldmateriaal bewerkt worden met verschillende tools.
  4. MyFitnessPal: gratis: Een app die helpt bij het verliezen, winnen of behouden van gewicht, waarbij de calorie-inname berekend kan worden aan de hand van een gratis account.
  5. SloPro: gratis: Met de SloPro app kunnen videobeelden gemaakt worden die achteraf in slow motion herbekeken kunnen worden.
  6. C-Fit: elk € 2,99: Het idee achter deze app was het verhogen van de fysieke activiteit in het klaslokaal (buiten de les LO). Er zijn drie onderverdelingen in deze app: C-fit XTrain, C-fit Yoga en C-fit Dance.
  7. Super Stretch Yoga: gratis: Deze app is meer gericht op jonge kinderen, waarbij dieren gelinkt worden aan verschillende yoga bewegingen of poses. 

Reflectie

Als leerkracht lichamelijke opvoeding in spe ben ik op zoek gegaan naar een artikel waarin men technologie toepast op de les lichamelijke opvoeding. Hoewel technologie in deze tijd ondenkbaar is, was het niet gemakkelijk om een artikel met dergelijke inhoud te vinden. Uiteindelijk ben ik op een artikel gestoten waarin verschillende apps besproken werden die door de schrijver van het artikel wel gepast leken om te gebruiken tijdens de les LO.

Vóór het lezen van het artikel had ik zo mijn twijfels over het integreren van technologie in de lessen LO. Jongeren hebben per dag al meer dan genoeg schermtijd en de les lichamelijke opvoeding heeft ook als één van de doelen om leerlingen eens van achter de schoolbanken te halen, hen te laten bewegen en ontspannen. Waarom zouden we dan nog technologie betrekken bij onze lessen? Na het lezen van het artikel begon ik na te denken hoe dit praktisch zou kunnen toegepast worden  en ontdekte ik toch wel enkele voordelen indien deze technische snufjes geïmplementeerd zouden worden in de les LO. Ik ben nog wel steeds van mening dat de lessen LO niet geleid moeten worden door technologie maar het af en toe toepassen ervan kan eventueel wel motiverender werken voor de leerlingen en leerkracht. Het is een nieuwe invalshoek waaruit  in de  de praktijk zal moeten blijken of het effectief is of niet.
Aan het gebruik van technologie in de les hangt natuurlijk wel een kostenplaatje. Naast het sportmateriaal zal er ook nog geïnvesteerd moeten worden in het aanschaffen van elektronische materialen. Verschillende apps vereisen soms ook internet wat vaak in sportaccommodaties niet aanwezig is. Ook de leerkracht LO zal qua kennis en vaardigheden  over het gebruik van de verschillende apps/programma’s en apparatuur moeten bijgeschoold worden. Alhoewel dat ik denk dat dit laatste argument in de huidige maatschappij niet tot grote problemen zal leiden. Er zal ook rekening gehouden moeten worden met het veilig gebruik van het technologisch materiaal. Bijvoorbeeld in een les basketbal of voetbal kan er al eens een bal door de zaal vliegen. Maar dit is een aspect dat de leerkracht LO deels zelf in handen heeft en kan vermeden worden als er nagedacht wordt over de organisatie van de les. 

De apps VSB Physical Education, Darthfish Express en SloPro uit het artikel genieten mijn voorkeur.  De reden is dat ik ook een voorstander ben voor het gebruik van video-analyse tijdens een les LO. Beelden zeggen meer dan woorden. Deze aanpak kan zowel voordelen bieden voor de sterkere leerlingen als de zwakkere. Volgens het artikel van Kok en van der Kamp (2013) biedt het voordelen op vlak van beter bewegen en vergroot het de eigen effectiviteitsverwachting van de leerlingen. Er zijn natuurlijk ook minder positieve aspecten gelinked aan het gebruik van deze technologie: Zo zal door het bekijken van een opname een reductie van lestijd/bewegingstijd zijn. Maar het maakt  van de klassieke LO-les een leuke belevenis voor  zowel leerlingen als leerkracht..

Nog een manier waarop ik technologie zou gebruiken tijdens de les LO, is het gebruik van kijkwijzers aan de hand van beeldmateriaal. De klassieke kijkwijzers worden gemaakt afbeelding en beschrijvingen van de opdrachten . Naar mijn mening kunnen kijkwijzers veel duidelijker opgesteld worden aan de hand van beeldmateriaal, vooral wat de balsporten betreft.

De resterende  apss beschreven in  het artikel genieten niet echt mijn voorkeur. De app Virtual Heart is eerder theoretisch gericht en niet zo geschikt voor de les LO. Hij zou  eventueel wel in de sportrichtingen in de les anatomie kunnen gebruikt worden.
C-Fit en Super Stretch Yoga zijn naar mijn mening eerder overbodige apps om te gebruiken in de les lichamelijke opvoeding. Je kan deze apps eventueel wel voor thuisgebruik voorstellen aan de leerlingen.
MyFitnessPal lijkt de meest overbodige app.  Ik sta inhoudelijk niet achter dit soort van app, en zeker al niet voor gebruik in het secundair onderwijs. Het is natuurlijk wel zo dat wij als leerkracht LO een gezonde levensstijl moeten promoten naar de leerlingen toe maar dat kan ten gepaste tijde op andere manieren gebeuren.

Als besluit kan ik stellen dat ik wel een voorstander ben voor het integreren van technologie in de lessen LO, al is er zeker geen behoefte aan om het in elke les te gaan toepassen. Tijdens een les LO is het belangrijk om het FUN-gehalte hoog te houden en de hulp van gerichte technologie mag hier af en toe wel een rol in spelen.

Geraadpleegde bronnen

Phillips, A., Rodenbeck, M. & Clegg, B. (2014) Apps for Physical Education: Teacher Tested, Kid Approved!, Strategies: A Journal for Physical and Sport Educators, 27:3, 28-31

Kok, M. & van der Kamp, J., (2013): Digitale video en (zelf-)modellering in de gymles:


De Apps zijn terug te vinden in de iOS App Store en zijn compatibel met iPhone, iPad en iPod touch.

Het chemielaboratorium d.m.v. NUI, een meerwaarde voor de leerling?


Natuurlijke gebruikersinterface (NUI)

Het gebruik van een natuurlijke gebruikersinterface vinden we wereldwijd terug in smartphones, tablets en ook spelconsoles. Met ‘gebruikersinterface’ wordt verwezen naar het medium dat interactie tussen computer en mens mogelijk maakt. Zo zorgen bij een klassieke computer de software en hardware dat de computer onze interacties opvangt via een muis en toetsenbord en zijn eigen boodschap terug zendt via het beeldscherm. Deze gebruikersinterface moet aangeleerd worden en kan bij het aanleren onnatuurlijk aanvoelen. Voor de mens is het namelijk initieel niet vanzelfsprekend dat als je iets met je linkervinger dubbel aanklikt, het open gaat. Dit gebeurt namelijk ook niet in de realiteit. Daar probeert de NUI op in te spelen. Hierbij wordt er getracht de natuurlijke beweging van de mens te integreren in het systeem. Bijvoorbeeld, bij het slaan van je arm naar links, zal je ook effectief iets naar links slaan. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de Nintendo Wii spelconsole. De bewegingen die je maakt, worden door de gebruikersinterface opgenomen en verwerkt. Daarbij zal de betekenis van je beweging wel nog dezelfde blijven als in de realiteit. Ook het gebruik van touchscreen is een vorm van NUI. Je vinger over het object naar links schuiven zorgt dat je, net als bij een boek, een pagina verschuift.

Een chemielaboratorium met NUI

Jagodzinski & Wolski (2015) trachtte deze technologie toe te passen op een chemisch laboratorium. Daarin maakt de leerling exact dezelfde beweging als hij zou doen in een echt laboratorium.  Daarbij kan glaswerk worden vastgenomen, verschillende stoffen bij elkaar worden gemengd en bepaalde reactiemechanismen worden gestimuleerd. Al de stoffen hebben hun natuurlijke kleur en werking. Bij het overgieten van stoffen wordt er rekening gehouden met de viscositeit van vloeibare stoffen en de natuurlijke bewegingen van vaste stoffen. Het programma signaleert de leerling ook wanneer onveilige of risicovolle acties worden ondernomen.  Op het moment van publicatie konden in het virtueel laboratorium 40 verschillende experimenten uitgevoerd worden die overeen kwamen met het chemie curriculum van de hoge scholen in Polen.
Jagodzinski & Wolski (2015) hebben hun virtueel laboratium uitgetest op 8 verschillende klassen uit de hoge school en kwamen tot de conclusie dat het gebruik van NUI in het chemielokaal mogelijkheden creeërt om het chemie onderwijs te verbeteren. Het virtueel laboratorium leidt tot een grotere betrokenheid en zelfstandigheid in het werk van de studenten. Als gevolg hadden de studenten krijgen studenten hogere punten en hebben ze meer interesse in chemie.

 Reflectie: voordelen

Het gebruik van NUI voor een chemielokaal brengt enkele voordelen met zich mee.
1.       In een klassiek chemielokaal gebruik je stoffen die al eens gevaarlijk kunnen zijn. Er is geen tot zeer weinig mogelijkheid tot zelfstandig experimenteren. Hier leunt het virtueel chemielaboratorium wel tot aan. Het systeem waarschuwt wanneer een student een gevaarlijke actie uitvoert en kan zelfs bij verdere uitwerking aangeven waar het gevaar juist ligt. Het neemt hier de rol van leraar over. Als er in een klassiek chemielokaal zelfstandig wordt geëxperimenteerd, zal de leraar zeer aandachtig moeten zijn, wat niet mogelijk is met klassen over de 20 leerlingen die elk een eigen zelfstandig experiment uitvoeren.
2.       Het actief, praktisch en experimenteel werken is in het vak chemie een van de meest efficiënte methoden om leerlingen de vaardigheden en kennis aan te leren die zij in het wetenschappelijk onderzoek nodig hebben. Daarom tracht men zo veel mogelijk gebruik te maken van deze (onderzoekende) praktijk. Een van de grootste drempels die dit tegenhoudt, zijn de financiële kosten. Het intensief gebruik van chemische stoffen kan zeer duur zijn en zorgt voor veel chemisch afval dat speciaal verwerkt moet worden. Dit is een obstakel die met het NUI-systeem wordt overwonnen. Gezien alle stoffen en het glaswerk virtueel zijn, moeten er geen stoffen worden aangekocht of afgevoerd worden. Onmiddellijk duikt nu wel vraag op: Wat zijn de kosten voor de aankoop en de implementatie van het virtueel chemielokaal?
3.       Het gebruik van NUI is iets nieuw en vooral gebruikt bij jongeren (smartphone, tablets,...). Het staat zeer dicht bij hun leefwereld en dat helpt alleen maar om van het chemielokaal een aangenamere ruimte van te maken. Leerlingen gaan automatisch willen werken met het systeem daar zij het systeem wel kennen, maar het nog nooit in deze context hebben gezien.
4.       Het NUI-systeem kan gebruikt worden als voorbereiding op het echte experiment. Daarbij wordt al rekening gehouden met de verschillende stappen en de veiligheid. Op die manier kan het echte experiment veel vlotter verlopen en moet er minder concentratie gaan naar het correct uitvoeren en meer naar het inzicht verwerven van de reactie.
5.       Als laatste is er nog het voordeel dat NUI heeft ten opzichte van andere ICT-toepassingen. NUI zorgt dat de de natuurlijke bewegingen die je maakt effectief dezelfde gevolgen zou hebben in je NUI-systeem als in de realiteit. Dit is niet het geval bij een klassieke computer met muis, toetsenbord en scherm. Daar lijkt de grens tussen ICT en een chemielokaal veel verder te liggen waardoor de leerefficiëntie zal dalen.

Reflectie: nadelen

Er zijn enkele opmerkingen die in het nadeel werken van dit systeem.
1.       Voor proefjes die makkelijk te doen lijken of waarbij geen gevaarlijke stoffen worden gebruikt, lijkt het NUI-systeem misschien overbodig (bvb. neerslagproegjes, polariteitsproefjes,...). Een echt experiment ligt steeds dichter bij de realiteit dan een gebruikersinterface. Ik stel me zelf dan de vraag in welke mate dit NUI-systeem in deze situatie een meerwaarde kan zijn ten opzichte van een echt experiment.
2.       Zoals eerder vermeldt kan de aankoop en implementatie van nieuwe technologiëen zeer duur zijn. Scholen zijn vaak beperkt in budget als het aankomt op het gebruik van ICT en nieuwe technologie. Daaraansluitend staat nieuw uitgebrachte technologie vaak nog niet op punt. Er  wordt constant nog aan gesleuteld en ook hier, in dit NUI-systeem, vinden we beperkingen. Er kunnen namelijk maar 40 experimenten worden uitgevoerd terwijl het aantal werkelijke chemische experimenten dat in een labo kan worden uitgevoerd toch wel beduidend hoger ligt.

Besluit

Naar mijn mening heeft het gebruik van NUI enkele sterke voordelen maar blijft het grootste obstakel, net als bij vele andere technologieën, de kosten van de aankoop en de implementatie. Meestal wordt dit obstakel wel door de tijd overwonnen. In een technologie met toekomst wordt geïnvesteerd om het efficiënter, goedkoper en toepasbaarder te maken.  

Een ander groot nadeel dat bij vele andere technologieën voorkomt, is de tijd en moeite die je er in moet steken om het te leren kennen, zowel bij leerling als leraar. Dit lijkt mij in het geval van het NUI-systeem minder of niet van toepassing. De reden waarom dit systeem net bestaat is om de brug tussen de natuurlijke en het artificiële interactie van mens en computer te verkleinen.

Jagodziński, P., & Wolski, R. (2014). Assessment of Application Technology of Natural User Interfaces in the Creation of a Virtual Chemical Laboratory.Journal of Science Education and Technology24(1), 16-28. DOI 10.1007/s10956-014-9517-5

woensdag 11 maart 2015

Virtual Reality een nuttig hulpmiddel in de les Biologie?


In de huidige tijd is het gebruik van computers en ICT niet meer weg te denken in het onderwijs, maar de ontwikkeling van ICT toepassingen heeft sinds begin jaren 2000 een zeer exponentiële groei gekend waardoor de leraar steeds meer achterstand heeft op de nieuwste trends.

Een van zulke technologische ontwikkelingen uit begin jaren 2000 is Virtual Reality en zal dienen als onderwerp voor deze blog. Deze toepassing kan gebruikt worden om het begrijpen van abstracte zaken door leerlingen te versterken, stimuleren en motiveren. Daarnaast kan een VR toepassing in de lessen wetenschappen als zeer nuttig alternatief dienen voor moeilijke en ongepaste experimenten.

De mogelijke voordelen van VR voor leerlingen zijn dus:

  1. Interactiviteit.
  2. Engagement.
  3. Op afstand leren.
  4. Hogere Immersie mogelijkheid

Reeds in 2003 werd het gebruik en het nut van Virtual Reality in de les Biologie onderzocht door de Koreaanse onderzoeksgroep van Shim et al., dit onderzoek maakte echter wel gebruik van de technologie die toen aanwezig en goedkoop was namelijk 'Desktop' VR (toen werd dit veel gebruikt in games). Desondanks namen deze wetenschappers waar dat een 'Desktop' VR omegving een positieve reactie opwekte bij de deelnemende leerlingen en hetgeen resulteerde in een actievere particpatie bij de leerlingen. Hierdoor werd er meer interesse opgewekt en werd ook het begrijpen van enkele wetenschappelijke abstracte concepten versterkt.

Shim et al. concludeerden dat er 4 zeer goede voordelen zijn voor het gebruik van VR in de biologie les, namelijk:

  1. Stimulatie van meerdere sensoren, hetgeen een positieve invloed heeft op motivatie en interesse.
  2. Interactie tussen de leerling, andere leerlingen en de computer.
  3. Deze virtuele omgeving laat de leerling toe om experimenten veilig en meerdere malen uit te voeren.
  4. VR omgevingen geven de leerling ook de mogelijkheid om thuis zelf te experimenteren.

Virtual reality toepassingen en omgevingen hebben sinds 2003 een verdere ontwikkeling ondergaan ,zijn ook de prijzen van 3D materiaal gedaald en toch wordt er in de huidige biologie klas bitter weinig gebruik gemaakt van VR omgevingen. Hierdoor worden de opgesomde voordelen van Shim niet bewerkstelligd en worden mogelijke interesse boosts voor het vak biologie dode letter.

Waarom gebruiken leerkrachten biologie geen VR tijdens hun lessen? Mogelijke redenen zijn:

  • Leerkracht kent de mogelijke VR toepassingen niet.
  • Leerkracht wil deze VR niet gebruiken.
  • De school heeft de “mogelijkheden” niet voor VR materiaal.
  • Leerplannen Biologie die weinig ruimte laten voor VR, een leerkracht wetenschappen moet zijn doelstellingen halen en extra-murale activiteiten nemen vaak een groot deel uit zijn lesuren.
  • .


Wil VR een veel gebruikte toepassing worden in de lessen Biologie moet er een zekere “mind shift” opgewekt worden bij de leerkrachten Biologie, waarbij vooral het nut in daglicht moet worden gesteld. Zo kan een VR toepassingen ook huiswerk of test gebruikt waardoor de leerling bepaalde leerstof thuis kan verwerken en dat extra-murale activiteiten kunnen worden gecompenseerd.
 
Referentie:
Shim K-C, Park J-S, Kim H-S, Kim J-H, Park Y-C and Ryu H-I (2003). Application of virtual reality technology in biology education. Journal of Biological Education, 37: 71-74.
http://search.ebscohost.com/login.aspx?direct=true&db=eft&AN=507822983&site=ehost-live

zaterdag 7 maart 2015

Eindelijk erkenning voor Bednet!

Wat is Bednet?

Bednet biedt synchroon internetonderwijs aan voor langdurig of chronisch zieke kinderen. Bednet richt zich op zowel de didactische als de sociale kant. Hierdoor tracht men de leerachterstand van de kinderen te beperken en het sociale contact met de klasgenoten te onderhouden. Met behulp van een laptop en een webcam in de klas en bij het kind thuis kan het kind actief de lessen volgen.
Om meer duidelijkheid te scheppen over dit initiatief, zal ik eerst de voor- en nadelen opsommen die worden vermeld in het artikel “Bednet vzw: een virtuele leeromgeving voor langdurig en chronisch zieke kinderen”.

De voordelen op sociaal vlak situeren zich vooral bij de betrokkenheid van de zieke leerling. Het kind kan zich makkelijker integreren in de klasgroep en gaat zich beter voelen.
Toch zijn er leerkrachten die de sociale voordelen van Bednet niet als de belangrijkste beschouwen, daar men dit via chatprogramma’s en dergelijke ook kan vervullen.

Op didactisch vlak zijn de voordelen dat het aangenamer is om op deze manier lessen te volgen dan via het thuisonderwijs. Ook wordt de leerstof op een toegankelijke manier aangebracht en hoeven leerkrachten zich niet te verplaatsen naar het huis van de zieke leerling. Een ander positief punt is dat er rechtstreeks contact is met de leerling in kwestie, waardoor de leerkracht kan zien wanneer er een probleem is en er ook rechtstreeks opdrachten kunnen worden meegegeven.
Leerkrachten zijn dus overwegend lovend over dit initiatief. Echter vinden sommigen het lastig om steeds in het oog van de camera te moeten staan en zijn er sommigen die vinden dat het nog steeds noodzakelijk is dat er ook nog thuisbegeleiding wordt aangeboden.

Mogelijke nadelen van Bednet:
  •  Leerlingen zullen zich anders gedragen in de klas
  • Het is geen echt contact
  • Niet elke ouder zal toestemming geven om zijn of haar kind te filmen
  •  Leerkrachten kunnen niet meer vrij rondlopen in de klas
  •  Problemen bij het opstellen van de webcam tijdens praktijklessen
  • Door het regelmatig wisselen van lokaal is het praktisch niet echt haalbaar
  • Sommige leerkrachten of leerlingen zouden een webcam niet appreciëren
  • De zieke leerling is meer een toeschouwer dan een deelnemer

Samenvatting artikel “Land in zicht”:

Hierin wordt vermeld dat vanaf 1 september 2015 elk kind met een langdurige of chronische ziekte recht zal krijgen op synchroon internetonderwijs. Dit werd verankerd in een decreet. Om dit te kunnen waarmaken zal de vzw vier keer meer budget, namelijk 1 miljoen euro, krijgen. Ook heeft de vzw de prijs van het Europees burgerschap 2014 gewonnen.  Naast al dit goede nieuws kondigt men ook het proefproject aan voor de derde kleuterklas. Dit zal van start gaan vanaf 2016.

Reflectie:

Naar mijn mening is Bednet een schitterend initiatief. Langdurig of chronisch zieke leerlingen ondervinden al vele nadelen door hun ziekte. Het zou voor hen dus heel goed zijn om via Bednet toch nog les te kunnen volgen en het contact met hun klasgenoten op die manier te onderhouden. Volgens mij zal dat de zieke leerling mentaal sterker maken, aangezien het niet helemaal wordt geïsoleerd in het ziekenhuis en/of thuis. Wanneer de leerling terug in staat is om naar school te gaan zal de terugkeer dankzij Bednet veel makkelijker verlopen. Het is zeker en vast een positieve zaak dat vanaf dit jaar elk kind recht heeft op synchroon internetonderwijs en dat de Vlaamse overheid meer budget zal uittrekken voor dit initiatief. Eindelijk krijgt deze prachtige vzw belangstelling vanuit de overheid, waardoor de zieke leerlingen nog beter geholpen kunnen worden.
Graag had ik enkele ideeën gegeven om dit initiatief nog beter te maken. Eerst en vooral zouden de scholen en Bednet kunnen samenwerken om een gezamenlijk online leerplatform te maken. Zo kan men een kwalitatief goed leerplatform creëren, dat gericht zal zijn op zowel de zieke als op de niet zieke leerlingen. Men kan voor dit elektronische leerplatform ook een applicatie ontwikkelen. Zo kan deze ook op mobiele telefoons en tablets gebruikt worden.
Wanneer de leerling een les mist, krijgt deze de taken en toetsen door gescand. Dit is volgens mij niet voldoende.  Een andere suggestie is dus om Bednet en het thuisonderwijs meer te laten samenwerken. Zo kan de leerling zowel de lessen op school volgen, als extra persoonlijke begeleiding thuis krijgen. Indien de leerling dan een les zou missen, kan deze les worden ingehaald met de hulp van de thuisbegeleiding. Bij bepaalde ziektes en/of leerstoornissen zal men deze extra persoonlijke begeleiding bovendien zeker goed kunnen gebruiken.
In het artikel “Bednet vzw: een virtuele leeromgeving voor langdurig en chronisch zieke kinderen” wordt er gezegd dat Bednet enkel wordt toegepast voor de hoofdvakken. Momenteel kiest elke school individueel voor welke vakken men Bednet zal toepassen, afhankelijk van het lokaal waar het vak doorgaat. Aangezien ik lichamelijke opvoeding studeer, verdedig ik natuurlijk volop het belang van dit vak. Doordat het gebruik van een webcam zeer moeilijk is in een sportles, zal Bednet bij dit vak zo goed als nooit gebruikt worden. Hier zou ik toch verandering in willen brengen. Natuurlijk zullen zieke leerlingen niet aan sport kunnen doen, maar het is wel een must dat ze ook deze lessen kunnen volgen. Zo zullen zij vele zaken bijleren, zoals de theorie en de regels van elke sport. Op deze manier zullen ze bij het terugkeren naar school ook voor dit vak terug goed kunnen meevolgen. Praktisch kan men dit doen door een webcam in de sporthal te plaatsen. Wanneer de lessen buiten plaats vinden, kan men een camera op een statief plaatsen. Aangezien het in deze laatste situatie lastiger is om dit live uit te zenden, kunnen deze lessen worden opgenomen die vervolgens op het online leerplatform geplaatst worden.
Ik kan dus besluiten dat, ondanks enkele werkpuntjes, Bednet een zeer mooi initiatief is met vele voordelen. Hopelijk worden deze werkpunten met de extra financiële hulp van de overheid op korte termijn aangepast.

Geraadpleegde bronnen:

Bednet, Hoe werkt het?, http://www.bednet.be/hoe-werkt-het-/voor-de-ouders (Geraadpleegd op 05/03/15)

Bednet, Land in zicht, http://www.bednet.be/nieuws/land-zicht (Geraadpleegd op 05/03/15)

Decuypere, M. (2008), Bednet vzw: een virtuele leeromgeving voor langdurig en chronisch zieke kinderen, Impuls, pg. 169-178

Nieuwsblad, Bednet-project wint Prijs van het Europees Burgerschap 2014, http://www.hln.be/hln/nl/1265/Onderwijs/article/detail/2196478/2015/01/27/Bednet-project-wint-Prijs-van-het-Europees-Burgerschap-2014.dhtml (Geraadpleegd op 05/03/15)


Onderwijs en vorming, Bednet krijgt vier keer meer budget, http://www.ond.vlaanderen.be/nieuws/2015/01-27-Bednet.htm (Geraadpleegd op 05/03/15)

vrijdag 6 maart 2015

HET ONDERWIJS MEER DIGITALISEREN…PRO OF CONTRA?

Samenvatting artikel “Opinie: het onderwijs moet zichzelf heruitvinden en het internet omarmen”:

In dit artikel wil men aantonen hoe belangrijk het is om over te schakelen naar digitale leervormen in het onderwijs. Ook al zijn er al heel wat digitale toepassingen, dezen blijven echter te beperkt. De benodigde vaardigheden van deze eeuw zijn niet alleen taal en wiskunde, maar ook vaardigheden zoals communiceren, ICT geletterdheid, samenwerken, … Deze zullen leiden tot een betrokken, ondernemend en nieuwsgierige houding van de leerlingen. Volgens de schrijver van dit artikel zijn de digitale technologieën de ideale manier om hieraan een bijdrage te leveren.
Om digitale technologieën meer te integreren in de scholen zullen er verschillende maatregelen moeten worden genomen. Zo moet de staat eerst en vooral de rol van deze technologieën in het onderwijs beschrijven. Vervolgens moeten leerkrachten steeds bijgeschoold worden wat betreft de ontwikkelingen rond de relatie tussen het onderwijs en de digitale technologieën. Ook moet de leerstof aangepast worden in functie van de behoeften van de leerlingen en moeten de leertechnieken herbekeken worden. De functie van de leerkracht zal overgaan van een informatieverstrekker naar een motiverende begeleider en coach.
Aangezien we informatie- en kennis-afhankelijk zijn geworden van elkaar, wordt het dus tijd dat de wijze van leren wordt aangepast. Het leergedrag zal meer gebaseerd moeten worden op de connectiviteit met anderen.  Zo zullen de leerlingen leren om hun kennis verder uit te bouwen door middel van communicatie in de digitale wereld.

Reflectie:
Voordat ik het vak Onderwijstechnologie volgde en voordat ik dit artikel las, was ik eerlijk gezegd wat tegen het integreren van digitale technologieën in het onderwijs. Ik vond dit helemaal niet nodig. Ik was van mening dat leerlingen ook voldoende kunnen bijleren zonder al deze technologie, zoals ik enkele jaren geleden onderwijs heb gevolgd. Maar zoals ik al zei is deze mening ondertussen toch al wat veranderd. Ik begin nu toch wel wat in te zien dat het onderwijs mee moet evolueren. Leerlingen moeten inderdaad leren hoe ze kritisch kennis kunnen verwerven en hun kennis kunnen delen via het internet. Het is zeer belangrijk dat de leerkracht hen hierin begeleidt. Men kan steeds op jongere leeftijd werken met een laptop of tablet, maar toch leert men niet altijd de zaken die men zou moeten aangeleerd krijgen. Het is dus belangrijk dat deze vaardigheden op school worden bijgewerkt. Op school zou men ook moeten leren hoe men veilig kan surfen. Dit is toch wel zeer belangrijk, aangezien er steeds meer misbruik wordt gemaakt van de jongeren via het internet.
Naast het internet kunnen andere technologieën zoals tablets en presentatiesoftware worden gebruikt tijdens het lesgeven. Aangezien ik lichamelijke opvoeding studeer, ben ik wel voorstander om af en toe gebruik te maken van tablets in de les. Zo kunnen we de leerlingen videofeedback geven, waardoor dezen nog meer zullen verbeteren. Hierin zie ik dus alleen maar voordelen .
Indien ik een theorieles zou geven zou ik zeker ook gebruik maken van presentatiesoftware en beeldmateriaal. Volgens mij maakt dit het visueel veel aantrekkelijker voor de leerlingen. Toch zou ik ook het krijtbord nog gebruiken. Om bepaalde zaken neer te schrijven, ben ik nog steeds meer voorstander van het gewone schoolbord dan van het digitale schoolbord.
Zoals in het artikel ook werd gezegd, vind ik dat de leerkrachten tijdens hun opleiding goed op de hoogte moeten gebracht worden over de verschillende technologieën en hoe deze gebruikt kunnen worden. Voor de leerkrachten die al reeds in het onderwijs tewerkgesteld zijn, moeten er bijscholingen worden georganiseerd. Enkel zo zullen leerkrachten technologie op een goede manier in hun lessen kunnen verwerken. Als toekomstige leerkracht lichamelijke opvoeding ben ik althans zeer geïnteresseerd in de verschillende mogelijkheden waar  technologie in mijn lessen zal kunnen gebruikt worden.
Echter vind ik dat de leerlingen zeker ook nog les moeten krijgen zonder al deze digitale technologieën. Ze zitten thuis al voldoende achter een computer of tablet. Ik vind het dus niet nodig om hen de hele dag op school ook nog eens op een scherm te laten kijken. Aangezien ICT het soms ook eens laat afweten, lijkt het me ook geen goed idee om de leertechniek volledig te digitaliseren. Indien de leerlingen alle opdrachten aan een computer of tablet zouden moeten uitvoeren, zou er bovendien het sociale aspect en de sociale interactie wegvallen. En zeg nu zelf, die is al klein genoeg wanneer de leerlingen thuis zijn en uren achter de computer spenderen.
Naar mijn mening moet er dus een goed evenwicht worden gezocht tussen de digitale technologieën en de klassieke leertechniek. Dit in combinatie met een goede opleiding en/of bijscholing van leerkrachten op dit vlak, zal er inderdaad voor zorgen dat de digitale wereld een echte troef wordt in het onderwijs.

Geraadpleegde bronnen:

Bloovi, Opinie: het onderwijs moet zichzelf heruitvinden en het internet omarmen, http://www.bloovi.be/nieuws/detail/opinie-het-onderwijs-moet-zichzelf-heruitvinden-en-het-internet-omarmen [Geraadpleegd op 06/03/15]

donderdag 5 maart 2015

What you see is what you get? Nieuw lessenpakket - “Leren met beelden.”

Evy Raes (Fotografe) en Nel Broothaerts (Incepti) ontwikkelden in opdracht van Mediawijs.be het lessenpakket “leren met beelden”.  Doel van het pakket is volgens de auteurs kinderen in het basisonderwijs te leren, dat “beelden geen objectieve, maar subjectieve elementen zijn en dat ze hier kritisch tegenover moeten staan.” In tijden van alomtegenwoordige toegang tot fotocamera’s via smartphones, tablets of compact camera’s willen zij leerkrachten vakoverschrijdend handvatten geven om kinderen te leren hoe ze beelden kunnen lezen en vooral zich zelf met beelden op een creatieve manier kunnen uitdrukken.
De verschillende hoofdstukken van het lessenpakket behandelen de volgende onderwerpen:



Hoofdstuk 1: de basis
licht, scherpte, cadrage, zoomen, achtergrond


Hoofdstuk 2: de camera
Beeldopbouw (raster), perspectief, belichting, schaduw


Hoofdstuk 3: het onderwerp
Kleur, patronen, afstand/nabijheid, compositie, reflectie, lijnen


Hoofdstuk 4: communicatie
Kader, associaties, knippen/plakken, selfie, spreken met foto's


Hoofdstuk 5: creatief
tekenen in foto's, zoekplaat, lenzen, optische illusies, tentoonstelling.


Op de pagina van mediawijs.be vindt je ter illustratie een onderhoudende video uit het lessenpakket over patronen, dat ik hier helaas niet zomaar mag inbedden omdat er geen creative commons licentie op zit, doorklikken dus!


Aangezien de nogal slechte kwaliteit van beelden die leerlingen in het secundair onderwijs bij voorbeeld met hun smartphones produceren lijkt het mij de moeite waard om dit onderwijspakket voor het basisonderwijs nader te bekijken betreffende zijn bruikbaarheid voor oudere leerlingen. Ook al benadrukken de auteurs de vakoverschrijdende inzetbaarheid, lijkt het pakket me toch vooral specifiek voor vakken zoals Esthetica en Cultuurwetenschappen binnen het profiel Humane Wetenschappen van het ASO of Kunstinitiatie in het KSO, en alle andere vakken die zich specifiek met beeldtaal bezig houden relevant.
Het lessenpakket is goed en overzichtelijk opgemaakt, wat het heel gebruiksvriendelijk maakt. Bijvoorbeeld de les idee over “selfies” is ook voor het secundair onderwijs in een aangepaste versie heel bruikbaar als onderdeel van het thema “portret”. (Een combinatie met een bezoek aan de tentoonstelling “faces now” die momenteel bij bozar plaatsvindt is hier zeker spannend).


Online zijn helaas alleen een beperkt aantal methodieken beschikbaar. Dat lees je pas als je doorklikt naar de dossier pagina en helemaal aan het einde van de tekst. Op de eerste pagina staat echter nog zeer misleidend dat je door kunt klikken naar het “volledige lessenpakket”. De vrij toegankelijke online versie dient als “teaser”, zodat leerkrachten later het boek 'Leren met beelden', welke uitgegeven wordt bij Lannoo Campus, gaan kopen. Je wordt hier dus om de tuin geleidt!
Op het lessenpakket ligt dan ook geen creative commons licentie maar een gewone copyright. Als ik de auteursrechten goed heb begrepen, mag het aanpassen van het lesmateriaal voor leerlingen secundair onderwijs wel. Wat niet mag is deze lesvoorbereidingen dan zonder toestemming publiek toegankelijk te maken.
 
De auteurs lijsten een aantal apps en toepassingen op die je mobiel en online kunt gebruiken om met de leerlingen digitaal met beelden aan de slag te gaan. Hier wordt helaas geen aandacht aan besteed of deze FLOSS zijn of niet. Bovendien zijn niet alle aanbevelingen gratis of niet commercieel.
Om het lessenpakket te kunnen downloaden moet je persoonlijke data zoals je naam, e-mailadres en organisatie aangeven. Er wordt aangegeven, dat dit gevraagd wordt om zicht te krijgen op waar het pakket wordt ingezet. Verdere informatie over wat met je data wel of niet gebeurd ontbreekt. Ik ben dan ook benieuwd of ik niet vroeger of later een e-mail ga ontvangen met reclame voor het boek en/of van de uitgeverij Lannoo Campus.


In het algemeen kan ik concluderen, dat het hier om een waarschijnlijk zeer bruikbaar lessenpakket gaat wat helaas niet vrij toegankelijk is. Het is heel jammer dat de publieke organisatie mediawijs.be (het Vlaamse Kenniscentrum voor Mediawijsheid) als opdrachtgever van dit lessenpakket niet voor de vrije toegankelijkheid van het hele pakket en een creative commons licentie, die o.a. het publiek toegankelijk maken van aangepaste versies mogelijk maakt, zorg draagt. Zo zijn de commerciële belangen van de uitgeverij ertussen geschakeld en betalen de leerkrachten voor een boek, wiens inhoud al door de algemeenheid via belastinggeld is betaald.
Een vrij toegankelijke onlineversie, die iedereen die wil kan uitprinten, zou hier eerlijker zijn.



De smartphone in de klas, leermiddel of speelmiddel.

Samenvatting:

Alsmaar meer leerlingen maken gebruik van een smartphone. Volgens Geert Callebaut (lector nieuwe media in de lerarenopleiding, Odisee Aalst) is het dan ook logisch dat leerlingen hun smartphone op een nuttige manier in de les zouden kunnen gebruiken. De 7 redenen die hiervoor aangehaald worden zijn:

1)    “De school heeft minder tablets nodig”
2)    “Je traint ICT-vaardigheden en mediawijsheid”
3)    “Een smartphone is een informatiebron”
4)    “Je weet onmiddellijk welke leerstof je leerlingen nog niet begrepen hebben“
 (leerstof verwerken in quiz)
5)    “Je verliest geen tijd met downloaden en hebt geen technische problemen”
6)    “Leerlingen storen de les minder” (differentiatie)
7)    “Een ideale gelegenheid om te werken aan nettiquette“

Reflectie:

Langs de ene kant ben ik het eens dat de smartphone een interessante informatiebron kan zijn in de les. In de meeste scholen is er een draadloos netwerk beschikbaar, waardoor het mogelijk is dat leerlingen met een smartphone hierop inloggen. Een voorwaarde is natuurlijk dat dit netwerk sterk genoeg is om de hele school te voorzien van internet. Aangezien niet iedereen een smartphone heeft moet je in de les ook rekening houden met de werkvormen die je wilt gebruiken. Je kan bijvoorbeeld groepjes maken van 2 tot 3 leerlingen die dan bepaalde zaken moeten opzoeken op het internet. Je kan de taken dan verdelen door 1 leerling iets te laten zoeken op het internet, terwijl een andere leerling deze informatie noteert en eventueel een andere leerling die deze informatie mondeling deelt met de andere klasgenoten. Sommige leerlingen hebben ook vroeger gedaan met het maken van oefeningen of hun test. Je zou deze personen dan een extra opdracht kunnen geven die ze moeten uploaden op Smartschool of iets laten opzoeken i.v.m. de les. In het artikel staat ook dat je de kennis van de leerlingen kan testen aan de hand van een quiz, zodat je weet of de leerlingen de leerstof begrepen hebben. Ik vind dit zeer interessant, maar hiervoor moet iedereen in de klas een smartphone of tablet hebben. Dus moet de school nog altijd investeren in tablets of smartphones die de leerlingen eventueel kunnen kopen, wat voor minder bedeelde gezinnen niet altijd mogelijk is.  
Langs de andere kant denk ik niet dat je ICT-vaardigheden en mediawijsheid kan trainen door middel van gebruik te maken van een smartphone. Ik vind het ook nog altijd makkelijker om vooraan in de klas gebruik te maken van media zoals YouTube in plaats van dat iedereen apart of in groep filmpjes en media moeten downloaden op hun smartphone of tablet. Wanneer je een opdracht geeft waarbij leerlingen hun smartphone mogen gebruiken weet je ook niet zeker of leerlingen ondertussen niet gewoon iets anders aan het opzoeken zijn dat niets met de les of de opdracht te maken heeft. Nog een nadeel is dat persoonlijke goederen zoals een gsm niet terugbetaald worden door de school indien er iets mee gebeurt. Volgens Geert Callebaut zouden smartphones al vanaf het 5de leerjaar kunnen gebruikt worden in de les, wat ik nogal vroeg vind. Ik zou leerlingen pas gebruik laten maken van hun smartphone vanaf het middelbaar.
Hieruit kan ik besluiten dat het handig kan zijn om de smartphone in de les te gebruiken voor het opzoeken van informatie bij het maken van een opdracht, zodat je niet altijd het computerlokaal in de school moet reserveren. Als de smartphone of tablet in de lessen enkel gebruikt worden om informatie op te zoeken zou de school hierin kunnen investeren, zodat leerkrachten dan per klas 4 smartphones of tablets kunnen reserveren voor hun les. Er zouden ook duidelijke afspraken moeten komen i.v.m. het gebruik van de smartphone in de les. Leerlingen zouden hun smartphone bijvoorbeeld op de bank moeten leggen zodat je kan zien dat ze niet op hun smartphone bezig zijn wanneer ze die niet nodig hebben. Wanneer er een test is kan iedereen die een gsm heeft deze vooraan in de klas leggen.