vrijdag 18 november 2011

Goedkope computers of alternatieven voor het onderwijs in ontwikkelingslanden



In deze studie werd er enkel rekening gehouden met de 2 grootste providers van goedkope computers en meer specifiek met de hoeveelheid studenten er per computer kunnen worden bereikt t.o.v de kosten. Zo worden 2 programma’s bestudeerd tijdens deze studie, namelijk deze van One laptop per child (OLPC) en het visualisatie programma van N Computing. De organisatie van OLPC werd reeds besproken tijdens de les en heeft als doel, de naam zegt het natuurlijk zelf, 1 laptop per schoolgaand kind te verwezenlijken. Hiervoor werd er een laptop ontwikkeld in het MIT media Lab Cambridge waarvoor men eerst een prijs van $100 wilde vragen, deze werd inmiddels reeds opgetrokken tot $175. Het programma van N computing, desktop virtualization, streeft ernaar om 1 computer door verschillende kinderen te laten gebruiken en zo de ongebruikte ruimte of capaciteit van deze hoofdcomputer te splitsen. Op deze manier is het mogelijk om meerdere studenten hun eigen ‘werkplek’ te bieden op 1 computer en zo hun de ervaring te geven dat ze met hun eigen computer aan het werken zijn. Deze twee organisaties werken dus op een heel verschillende manier en volgens mij is dus heel moeilijk om deze 2 op een goede manier met elkaar te vergelijken.
Er werd bij deze vergelijking vooral rekening gehouden met dit verschil en vooral de hoeveelheid van leerlingen die er gezien de kost gebruik van kunnen maken. Zo wordt het programma van N computing gezien als een low-income characteristic en met als gevolg dat het concept van OLPC als een High-income characteristic.
De conclusie van deze studie is dan ook niet echt onvoorspelbaar en N computing aangeduid als een efficiënter systeem om computers te gebruiken in het onderwijs. Het is natuurlijk wel zo dat de kinderen bij dit systeem telkens in het school moeten zijn om in contact te komen met het World Wide Web, terwijl bij OLPC de kinderen altijd en overal gebruik kunnen maken van hun laptop en kunnen werken aan hun schooltaken. Het verschil tussen beide initiatieven zijn enorm en bijgevolg vind ik niet dat deze in een studie op een correcte manier te vergelijken zijn bij elkaar.


Voordelen:
Het is goed dat er een vergelijkende studie werd uitgevoerd en dat de landen die van deze programma’s/initiatieven gebruik willen maken, verder informatie kunnen inwinnen. Het is ook goed dat er duidelijk in de studie vermeld wordt wat de kost per kind is.



Bedenkingen:
Zoals eerder vermeld vind ik niet dat deze twee initiatieven met elkaar vergeleken kunnen worden. Elk product is zeer goed in zijn doel, dus het hangt er eigenlijk van af wat de school/het land als doel heeft in het onderwijsaanbod. Dus het onderzoek was volgens mij eigenlijk helemaal niet nodig. Het enige dat men nuttig aan dit onderzoek kan vinden is de informatie die er in wordt vermeld over al de verschillende technologieën en de hoeveelheid kinderen ermee bereikt kunnen worden.




conclusie:




een goed initiatief, maar men zou beter twee initiatieven met hetzelfde doel met elkaar vergelijken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen