Om het
onderwijs met zijn rol in sociale reproductie te helpen breken, kan
je onder meer leerlingen in diversiteit laten opgroeien, en klassen,
of op zijn minst de schoolpopulaties
zo samenstellen dat ze een representatieve staal zijn van de
diversiteit die in de maatschappij aanwezig is. Als je vervolgens ook
nog het leven in die scholen zo stimuleert, dat de diversiteit als
een ethisch genietbaar gegeven aangevoeld kan worden, en individuele merite
berekend wordt op basis van je inspanning voor het samenleven eerder
dan competitie tussen individuen, dan ben je al een heel stuk op weg,
naar een duurzame socio-ecologie. Hieronder deel ik een eerste verkenning die ik voerde, met het oog op een visie omtrent hoe onderwijstechnologie daarbij fundamenteel van betekenis kan zijn.
Diversiteit als ambitie van onderwijsministeries
Bij deze abstracte principes hoort hier wellicht al een beetje concrete actualiteit. In het onderwijs van de Franstalige gemeenschap is ondermeer met het oog op representatieve schoolpopulaties het inschrijvingsdecreet pas nog aangepast. Of zal werken, daarover lopen de meningen uiteen. In Frankrijk lopen de inschrijvingen al veel langer volgens een centrale overheidsregeling, maar vele achterpoortjes en geografische gettovorming die niet door huisvestigingspolitiek gecounterd wordt, maakt dat het principe van de diversiteit niet doortastend kan gerealiseerd worden.
In het
door de de Nederlandstalige gemeenschap gesubsidieerd onderwijs,
bestaan ook heel wat regelingen, die de sociale reproductie moeten
tegenwerken. Het GOK-decreet is met dat doel in het leven geroepen.
Louter economische selectie van het leerlingenpubliek zou scholen ook
moeilijker gemaakt moeten worden, met het principe van de
maximumfacturen. Helaas, in de praktijk vinden scholen nog
achterpoortjes, om toch een elitecultuur te blijven reproduceren. Misschien is een meer systemische aanpak nodig. Daarmee bedoel ik onder andere, dat wat in de klas gebeurt en hoe het onderwijs geörganiseerd wordt in zijn wisselwerking moet gezien worden. Hierboven sprak ik al van "het leven op school", en binnen een systemische aanpak betekent dit een zoektocht naar leerinhouden die verder dan het principe van "betrekking op de leefwereld van de leerling" gaan. Wat in de klas gebeurt is niet enkel een deel van wat in het onderwijs gebeurt, het is ook integraal deel van de samenleving. Kennisproductie in diversiteit, betekent dus maximaal inspelen op de actuele en voorzienbare maatschappelijke bekommernissen van individuele leerlingen, en dit met het oog op maximale maatschappelijke participatie op lange termijn.
Hoe dan ook, als je er vandaag in slaagt een diverse klas bij elkaar te brengen, dan is de volgende uitdaging natuurlijk, er ook een degelijke leeromgeving aan te bieden, gepast voor dat publiek. Ik ga hier niet in op de vraag of de manier waarop vandaag differentiatie in praktijk gebracht wordt, effectief de hier boven gestelde ambities kan waarmaken. Ik neem uit de lopende discussie omtrent differentiatie enkel mee dat er mogelijk meer belang zal gegeven moeten worden aan individuele begeleiding van leerlingen. Vandaag steigeren vele praktijkwerkers in het onderwijs nog bij de gedachte dat het onderwijs richting individuele leertrajecten zou evolueren. Dat is begrijpelijk: de middelen voor die evolutie ontbreken.
Maar een leerkracht die zijn taak als onderzoekende medewerker van een heel instituut serieus neemt, kan er niet om heen, dat er toch al heel wat technologie bestaat die zulke individualisering zou kunnen ondersteunen. De leerkracht en ieder die in de klas staat, kan dan mee een rol opnemen in het bouwen van een visie over de wenselijkheid van zulke geïndividualiseerde didactische vormgeving en dan eventueel ook over de weg daar heen.
Hoe dan ook, als je er vandaag in slaagt een diverse klas bij elkaar te brengen, dan is de volgende uitdaging natuurlijk, er ook een degelijke leeromgeving aan te bieden, gepast voor dat publiek. Ik ga hier niet in op de vraag of de manier waarop vandaag differentiatie in praktijk gebracht wordt, effectief de hier boven gestelde ambities kan waarmaken. Ik neem uit de lopende discussie omtrent differentiatie enkel mee dat er mogelijk meer belang zal gegeven moeten worden aan individuele begeleiding van leerlingen. Vandaag steigeren vele praktijkwerkers in het onderwijs nog bij de gedachte dat het onderwijs richting individuele leertrajecten zou evolueren. Dat is begrijpelijk: de middelen voor die evolutie ontbreken.
Maar een leerkracht die zijn taak als onderzoekende medewerker van een heel instituut serieus neemt, kan er niet om heen, dat er toch al heel wat technologie bestaat die zulke individualisering zou kunnen ondersteunen. De leerkracht en ieder die in de klas staat, kan dan mee een rol opnemen in het bouwen van een visie over de wenselijkheid van zulke geïndividualiseerde didactische vormgeving en dan eventueel ook over de weg daar heen.
Met
deze post wil ik aftasten of de hoop die we – en misschien net nog
meer de economisch bevoordeelde lagen van de maatschappij –
stellen in efficiëntie door middel van technologie, kan
gekanaliseerd worden om in het onderwijs de motivatie aan te wakkeren
voor onvoorwaardelijke egalitaire ethiek.
Waar kan een systemische aanpak beginnen?
De rol
van de academishe wereld in het participatief maken van de kennisindustrie en meer bepaald de ICT-industrie
kan niet ontkend worden. Open-source en vrije software zijn daar
ontstaan. Nu de roep luider en luider klinkt, om kennisindustrie in
het algemeen haaks te bouwen op de
economie die rond privé-bezit draait1,
is misschien de tijd rijp, om in universiteiten verder te werken aan
een systemische rol voor ICT in het bouwen van een open samenleving.
Het ligt, mijns inziens, dan ook voor de hand, de rol van ICT in het
onderwijs en vooral de investering vanwege de academie in de
ontwikkeling van die onderwijstechnologie intensiever te gaan
ontwikkelen. Ik wil in deze bijdrage tot een kritische blik uit
nodigen op enkele mogelijke pistes die vandaag al zichtbaar zijn wat
betreft ICT en in het algemeen technocratische2
instrumenten, richting onderwijs in en voor
diversiteit. Ik geef in de paragraaf "Een School als Venture Capital
investering" eerst een voorbeeld van het problematisch
karakter van prive-ondernemingen in het ontwikkelen van
onderwijstechnologie. Daarmee hoop ik al één argument te geven voor
een grotere publieke investering (dus via openbaar tertiair
onderwijs) in die ontwikkeling. Vervolgens trek ik het begrip
onderwijstechnologie wat verder open, om nog meer ruimte voor
academische ontwikkeling te suggereren.
![]() |
By Richard Barbrook (Author) [CC BY-SA 3.0 (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)], via Wikimedia Commons |
Een School als Venture Capital investering
Niettegenstaande
mijn intentie het onderwijstechnologisch veld open te trekken, loopt
de eerste piste die ik hier wil onder ogen brengen, toch al de klas
binnen. In het magazine The New Yorker verscheen onlangs een artikel
over een netwerk van kleinschalige privé-scholen die onder de naam
Altschool als laboratorium opgericht zijn, voor experimenten met
monitoring- en coachingtechnologie en het verder ontwikkelen van
Learning Management Systems. Privé rijmt hier zeker nog niet met
democratisering. Altschool richt zich op een high
end niche-markt.
De onderneming is dan wel opgericht
met venture-capital en zou ondertussen zo een $130 miljoen bij
elkaar gebracht hebben, het schoolgeld bedraagt nog een slordige
$30.000. Oprichter is Max Ventilla, een ex-google
topspeler. Hij brengt dan ook een hoop ICT-inzicht naar het
onderwijswereldje dat hij in het leven riep. De scholen bieden
onderwijs in zeer kleine klasjes, een in hoge mate
geïndividualiseerde leertrajecten. De klas wordt voortdurend gefilmd
door verschillende camera's. Ventilla's ambitie is dan ook een
toepassing van big data in
de leeromgeving: automatisering van gedragsherkenning in de massa op
video vastgelegde leerhandelingen. De laboratoriumscholen worden
omkaderd door een leger ICT-ontwikkelaars, die aps trachten te
schrijven, om de rol van de leerkracht-coaches te ondersteunen. Wie
meer wil weten over de technologie die Altschool ontwikkelt en al
toepast, verwijs ik naar de site
van Altschool
zelf. Echter klinkt het bericht dat New Yorker magazine brengt over
de technologische vooruitgang die Altschool's ontwikkelaars maken
eerder als een komische sketch.
Ventilla's filosofie klinkt dan wel weer bemoedigend:
“Iets dat beter
werkt voor 70% van de kinderen en slechter voor de overige 30% –
dat is niet aanvaardbaar voor ons." (Ventilla in "The rise
of altschool and other micro-schools", Michael B. Horn,
EducationNext
)
Ventilla wil blijkbaar een Universal Learning Design ontwikkelen voor
een didactisch model gebaseerd op geïndividualiseerde leertrajecten. Het gelinkte artikel van EducationNext somt een aantal snufjes op, die we binnen afzienbare tijd in de klas kunnen benutten.
In het curriculum van Altschool is ook plaats voor een systemische,
trans-disciplinaire lesinhoud. The Newyorker beschrijft een klas die in
een simulatiespel verwikkeld is, waar verschillende staatsvormen
verkend worden en economische problemen onderzocht worden – een
gelegenheid om wat wiskunde te oefenen ook. Wetenschap, technologie en samenleving in hun onderlinge afhankelijkheid bestudeerd dus.
De
economische logica achter Altschool zelf is echter niet duidelijk op
de webpagina van altschool. Ook in de omgeving ervan wordt er ook
niet echt ruimdenkend voor geargumenteerd (opnieuw EducationNext
maakt de vergelijking met het business model van een
vleeswarengigant die volledig volgens de proprietory
logica draait)
Conclusie:
Altschool functioneert binnen de klas misschien wel op basis van een
grote waardering van de diversiteit van zijn leerlingen – enkele
beurs-studentjes mogen daar weliswaar ook van genieten – maar er is
nog een lange weg te gaan, opdat het begrip diversiteit ook die 100%
in rekening brengt, waarop Ventilla zich beweert te richten.
Een
ander ICT Learning Management System is Jeffrey Katzman's Core
Learning Exchange project. De eerste indruk die je krijgt van de
onderneming van Jeffrey
Katzman,
lijkt al meer de goede richting in te gaan. Katzman brengt
opensource,
free
en gecommercialiseerde software-ontwikkeling samen in één bedrijf.
Ook gaat hij met Horn van EducationNext in discussie via een
commentaar op Horn's artikel: Katzman reageert betreffende de
noodzaak aan gemeenschappelijke standaards, om de producten van
ontwikkelaars van Learning Management Systems te laten interageren.
Het eerste zoekresultaat dat Google echter levert, wanneer je je voor
Katzman's Core Learning Exchange project interesseert, is de
copyright-policy pagina.
Dan
maar rechtstreeks op het doel af en eens "open source LMS"
gegoogeld... Aan de lezer om na te gaan waar er werk aan de winkel
is.
Mathematische modelering van en voor democratische participatie: een speculatie over speltheorie, serious gaming en zelfgestuurd Leren- leren op lange termein
De
instorting van economische kaartenhuizen geconstrueerd met monopolies
op ICT en kennis – met name de virtuele financiële economie –
voelt de ene al meer dan de ander. Kan die recente gebeurtenis, en de
hele geschiedenis van pogingen tot economische technologie toch ook
een impuls zijn, om de techniek erachter voor betere doeleinden in te
zetten? Wie weet ligt de kiem voor een antwoord op die donkere fase
van de kennisindustrie, in recent onderzoek binnen spel-theorie, en
toepassing ervan met het oog op eerlijke distributie van goederen en
democratische participatie. Steven J. Brams is een onderzoeker die
op dat terrein heel wat baanbrekend werk leverde. Ik verwijs naar een
bespreking van zijn
laatste boek, voor een toegankelijke inleiding tot zijn werk. Zelf
wil ik hier slechts kort speculeren over de toekomst van het
onderwijs op basis van de mogelijkheid complexe maatschappelijke
gegevens die tot het domein van de humane wetenschappen behoren,
degelijk met wiskunde te modelleren. Eens een situatie gemodelleerd
is, kun je er simulaties van maken en alternatieve pistes onderzoeken
waarlangs "het spel van de maatschappij" had kunnen
verlopen. De noemer "spel-theorie" suggereert nu letterlijk
de mogelijkheid realistische ICT-spelomgevingen te ontwikkelen,
waarin spelers de invloed van persoonlijke beslissingen kunnen
ondervinden, en onderling beslisvaardigheid te vergelijken, of de
geldende normen over beslissingscriteria kunnen toetsen tegen de
beslissingen die de theorie als optimaal aanduidt. Zulke speeltjes
bestaan voor het modelleren van min of meer complexe
onderhandelingsprocessen. Er wordt in MBA cursussen wel degelijk
binnen educatieve doeleinden mee gewerkt. De speculatieve vraag
waarmee ik hier wil eindigen luidt nu:
- Kun je een spel ontwikkelen waarmee je leerlingen zelf aan de slag kunt laten gaan, op zoek naar de beste verhoudingen tussen leerlingen met uiteenlopende kennis- een leer status. Kun je op school een kritische massa creëren, die zich bewust is van de fundamentele onderwijsproblematiek, en die later van de gemeenschap zal eisen dat naar een eerlijke verdeling van middelen gestreefd wordt, en een beter doordachte investering in de toekomst via onderwijs. Kun je van egalitair bewustzijn een echte marktspeler maken, op de openbare onderwijsmarkt?
1 De
VUB zelf opende zijn interfacultaire lezingenreeks "Redelijk
Eigenzinnig" nog met een het thema "Open Science"
2
De term "technocratie" wordt door de band als een
etiket gebruikt voor de kwalijke gevolgen van het toenemend gewicht
van techniek en technologie in de samenleving, of voor de manier
waarop techniek als oplossing vooruitgeschoven wordt door
ultraliberale politiek die de levensduur van consumptiemaatschappij
wil rekken enerzijds, hetzij voor de "bureaucratische plaag"
van links anderzijds. In deze verwijs ik echter naar een
genuanceerde invulling van het begrip techniek en de rol ervan in de
organisatie van de samenleving, zoals die bijvoorbeeld door Bernard
Stiegler uiteengezet wordt.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten